ECLI:NL:HR:2025:840

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
23/00541
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 329 SvArt. 330 SvArt. 6 lid 3 EVRMArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering afwijzing aanhoudingsverzoek in strafzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor diefstal, eenvoudige belediging van een ambtenaar en bedreiging met zware mishandeling. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was de verdachte niet aanwezig. Zijn raadsman verzocht per e-mail om aanhouding van de behandeling, omdat de verdachte dakloos is en geen geld had voor een treinkaartje nadat hij bij het station was weggestuurd.

Het hof wees het verzoek af, stellende dat het verzoek laat was gedaan, de verdachte het vervoersprobleem eerder had moeten signaleren en oplossen, en het onduidelijk was wanneer hij wel geld zou hebben voor vervoer. Het hof vond het maatschappelijke belang van een tijdige afdoening zwaarder wegen dan het belang van de verdachte bij aanwezigheidsrecht. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd en niet alle relevante belangen heeft betrokken, zoals het procesverloop, het gewicht van de zaak en belangen van benadeelden.

De Hoge Raad bevestigt het beoordelingskader voor aanhoudingsverzoeken en benadrukt dat de rechter bij afwijzing van een aannemelijk gemaakt verzoek blijk moet geven van een zorgvuldige belangenafweging. Omdat het hof dit naliet, vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00541
Datum3 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2023, nummer 21-002210-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Sietsma bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2.1
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor, kort gezegd, 1. diefstal, 2. eenvoudige belediging van een ambtenaar en 3. bedreiging met zware mishandeling.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2023 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder onder meer in:
“De voorzitter deelt - zakelijk weergegeven - mede:
Mr. [betrokkene 1] heeft vandaag om 09:29 uur per e-mailbericht primair verzocht om aanhouding van de behandeling, omdat verdachte niet in staat is vandaag ter zitting te verschijnen. Volgens de raadsman was verdachte voornemens om te verschijnen, echter is verdachte vanmorgen weggestuurd bij het station. Verdachte heeft geen geld voor een treinkaartje omdat hij dakloos is, aldus de raadsman.
(...)
De advocaat-generaal heeft vanmorgen per e-mailbericht op dit verzoek gereageerd en heeft zich verzet tegen een aanhouding van de behandeling, omdat verdachte veel eerder iets had kunnen regelen met betrekking tot het vervoer naar de zitting. Volgens de advocaat-generaal had verdachte kunnen weten dat het hem niet zou lukken om zonder treinkaartje de reis van Den Haag naar Leeuwarden te maken.
Na een korte schorsing voor beraad wordt het onderzoek hervat.
De voorzitter deelt - zakelijk weergegeven - mede:
Het hof wijst het verzoek tot aanhouding van de behandeling af. Het verzoek is pas erg laat gedaan en het hof is van oordeel dat verdachte het vervoersprobleem eerder had moeten signaleren en had kunnen oplossen. Het is daarbij onduidelijk wanneer verdachte wel geld zal hebben voor een treinkaartje. Het maatschappelijke belang om de zaak tijdig af te doen weegt zwaarder dan het belang van verdachte bij aanhouding van de behandeling.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv Pro bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en Pro 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt.Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Wanneer zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).
2.4
De raadsman van de verdachte heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat de verdachte van plan was om op de zitting te verschijnen, maar eerder die ochtend was weggestuurd bij het station en geen geld voor een treinkaartje had omdat hij dakloos is. Het hof heeft kennelijk deze aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid aannemelijk geacht, maar geoordeeld dat het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechtiging zwaarder weegt dan het belang van de verdachte bij zijn aanwezigheidsrecht. Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat het verzoek pas erg laat is gedaan, dat de verdachte het vervoersprobleem eerder had moeten signaleren en had kunnen oplossen en dat het onduidelijk is wanneer de verdachte wel geld zal hebben voor een treinkaartje.
Het hof heeft dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. De hiervoor genoemde omstandigheden brengen immers niet zonder meer met zich dat de verdachte niet op de terechtzitting aanwezig wilde zijn of dat het belang van de verdachte om aanwezig te zijn bij het onderzoek op de terechtzitting ontbreekt. Het hof heeft daarnaast uitsluitend “het maatschappelijk belang om de zaak tijdig af te doen” in aanmerking genomen, zonder echter dat belang voor deze zaak – aan de hand van andere factoren zoals het procesverloop, het gewicht van de zaak en de belangen van eventuele benadeelde partijen die zich hebben gevoegd – te concretiseren. Het hof heeft daarom in onvoldoende mate blijk gegeven van een afweging van alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 juni 2025.