ECLI:NL:HR:2025:872

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
24/02508
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 3:61 lid 2 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid

In deze zaak heeft [eiseres] Holding B.V. cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 april 2024, waarin een geschil speelde over de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van artikel 3:61 lid 2 BW Pro. De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere vonnissen van de rechtbank Den Haag en het arrest van het hof.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiseres over het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet, omdat het beantwoorden van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 8.206 aan verschotten en € 2.200 aan salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen voldaan.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Wattendorff (voorzitter), Lock en Teuben en in het openbaar uitgesproken door ter Heide op 6 juni 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/02508
Datum6 juni 2025
ARREST
In de zaak van
[eiseres] HOLDING B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
hierna: [eiseres],
advocaten: J.H.M. van Swaaij en R.J. ter Rele,
tegen
1. COÖPERATIEVE KONINKLIJKE NEDERLANDSE BLOEMBOLLENCENTRALE (U.A.),
gevestigd te Lisse,
2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
hierna gezamenlijk: CNB c.s.,
advocaten: P.A. Fruytier en J.P. Jas.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/09/592391 / HA ZA 20/456 van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2021 en 2 juni 2021;
b. het arrest in de zaak 200.310.035/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 april 2024.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
CNB c.s. hebben een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor CNB c.s. mede door E.W.T. Kerckhoffs.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van [eiseres] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CNB c.s. begroot op € 8.206,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.M. Wattendorff, als voorzitter, F.J.P. Lock en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
6 juni 2025.