Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:873

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
24/01754
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:290 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat huur van kapsalon in woonzorgcentrum geen publiek toegankelijke bedrijfsruimte is

De zaak betreft een geschil tussen een huurder die een kapsalon exploiteert in een woonzorgcentrum en de verhuurder van deze ruimte. De kern van het geschil is of de gehuurde ruimte kwalificeert als een voor het publiek toegankelijke bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro.

De rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam hebben eerder geoordeeld dat de ruimte niet als zodanig kan worden aangemerkt. De huurder stelde tegen het arrest van het hof beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de klachten van de huurder beoordeeld maar oordeelt dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad ziet geen noodzaak tot nadere motivering omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de huurder in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft het oordeel van het hof dat de kapsalon geen publiek toegankelijke bedrijfsruimte is, ongewijzigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurder wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/01754
Datum6 juni 2025
ARREST
In de zaak van
[de huurder] h.o.d.n. [kapsalon],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [de huurder],
advocaat: J. den Hoed,
tegen
STICHTING [de verhuurder],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [de verhuurder],
advocaat: P.A. Fruytier.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 8971220 \ CV EXPL 21-175 (SS) van de rechtbank Noord-Holland van 29 juli 2021;
b. het arrest in de zaak 200.301.282/01 van het gerechtshof Amsterdam van 30 januari 2024.
[de huurder] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[de verhuurder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [de verhuurder] toegelicht door haar advocaat en door E.W.T. Kerckhoffs.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [de huurder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de verhuurder] begroot op € 2.897,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de huurder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
6 juni 2025.