ECLI:NL:HR:2025:879
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vermindert boetebeschikkingen wegens overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen over de jaren 2014 tot en met 2017. De Hoge Raad beoordeelde de klachten en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het arrest konden leiden.
De cassatieprocedure kende een overschrijding van de redelijke termijn. Voor de navorderingsaanslagen en belastingrente werd geen vergoeding toegekend omdat belanghebbende dit niet had verzocht. Voor de boetebeschikkingen, waarvan de bedragen elk boven € 1.000 lagen, werd de overschrijding erkend en leidde dit tot een vermindering van de boetes met 5 procent.
De Hoge Raad vernietigde de uitspraken van het Hof, de Rechtbank en de Inspecteur voor zover deze betrekking hadden op de boetebeschikkingen en stelde de boetes voor de jaren 2014 tot en met 2017 vast op respectievelijk € 7.348, € 6.895, € 7.989 en € 7.944. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en vermindert de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn.