Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
10 juni 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het bewerken van 15.260 gram cocaïne, in strijd met artikel 2.B van de Opiumwet.
De verdachte stelde een cassatiemiddel in, dat door de Hoge Raad werd beoordeeld. De klachten tegen het hofarrest konden echter niet leiden tot vernietiging van het arrest, zodat het beroep voor het overige werd verworpen.
Wel oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 45 maanden naar 43 maanden.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en stelde de straf in overeenstemming met de redelijke termijn. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren op 10 juni 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 45 naar 43 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.