ECLI:NL:HR:2025:953

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
22/02745
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 420ter SrArt. 420bis.1.b SrArt. 140 lid 1 SrArt. 2C Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in gewoontewitwassenzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor gewoontewitwassen, deelneming aan een criminele organisatie, bezit van cocaïne en MDMA, en het voorhanden hebben van een valse identiteitskaart.

De Hoge Raad heeft de ingebrachte cassatiemiddelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest, behalve wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, mede doordat stukken te laat door het hof zijn ingezonden en het cassatieberoep meer dan twee jaar heeft geduurd. Daarom wordt de strafduur verminderd van 42 maanden naar 38 maanden.

Het beroep wordt voor het overige verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 1 juli 2025.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 42 naar 38 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02745
Datum1 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2022, nummer 21-002165-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. van Schaik bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde en het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 42 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 38 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 juli 2025.