ECLI:NL:HR:2025:971
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure
Belanghebbende stelde dat de redelijke termijn voor de behandeling van zijn bezwaar en beroep door het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de rechter was overschreden, waardoor hij recht had op vergoeding van immateriële schade. De Rechtbank Amsterdam stelde vast dat de termijn van twee jaar was overschreden met bijna een jaar en kende een schadevergoeding van € 1.000 toe.
De Hoge Raad stelde vast dat de overschrijding in werkelijkheid een jaar en twaalf dagen bedroeg, afgerond dertien maanden, en verhoogde de vergoeding naar € 1.500. De overschrijding werd toegerekend aan de bezwaarfase (6 maanden) en de beroepsfase (7 maanden), waarbij het waterschap verantwoordelijk werd gehouden voor het deel van de bezwaarfase en de Staat voor het deel van de beroepsfase.
Belanghebbende had geen recht op vergoeding van kosten van rechtsbijstand omdat de verleende rechtsbijstand niet beroepsmatig was. De Hoge Raad vernietigde het deel van de uitspraak van de Rechtbank dat de vergoeding betrof en veroordeelde het waterschap en de Staat tot betaling van respectievelijk € 692 en € 808. Tevens werden zij elk veroordeeld tot vergoeding van de helft van het griffierecht van € 136.
Uitkomst: De Hoge Raad kent een vergoeding van immateriële schade toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, verdeeld tussen het waterschap en de Staat.