Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:976

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2025
Publicatiedatum
19 juni 2025
Zaaknummer
24/03972
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BWArt. 1:253a BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechter om reiskosten bij omgangsregeling te verdelen en motivering draagkracht

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de omgangsregeling met hun minderjarige kind, waarbij de vader een ruimere omgang wenst en tevens een bijdrage van de moeder in de reiskosten voor reizen naar de Verenigde Staten vordert.

De rechtbank en het hof hadden een omgangsregeling vastgesteld waarbij de minderjarige in bepaalde vakanties bij de vader verblijft in de Verenigde Staten, met een regeling dat de kosten van tickets en begeleiding bij de eerste reizen door beide ouders gelijkelijk worden gedragen.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechter die een omgangsregeling vaststelt op grond van art. 1:377a en 1:377e BW bevoegd is om ook geschilpunten over de uitvoering, zoals de verdeling van reiskosten, te regelen. Dit sluit aan bij de positieve verplichting uit art. 8 EVRM Pro om contact tussen kind en ouders te bevorderen.

Echter oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de reiskosten gelijkelijk verdeeld zouden worden, zonder rekening te houden met de draagkracht van de ouders. Omdat de moeder had aangevoerd dat haar inkomen onvoldoende is en de vader over voldoende middelen beschikt, had het hof deze omstandigheden moeten meewegen.

De Hoge Raad vernietigt daarom het hofvonnis en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en een nieuwe beslissing met inachtneming van de draagkracht van partijen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beslissing waarbij de draagkracht van de ouders wordt meegewogen bij de verdeling van de reiskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/03972
Datum20 juni 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaten: W.A. Jacobs en J.C. Zevenberg,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de vader,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/08/295146 / FA RK 23-992 van de rechtbank Overijssel van 25 juli 2023;
b. de beschikking in de zaak 200.334.000/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juli 2024.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaten van de moeder hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige], geboren in 2013 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarige). De vader heeft de minderjarige erkend. De moeder heeft het gezag over de minderjarige. De minderjarige woont bij de moeder in Nederland. De vader woont in Californië, Verenigde Staten.
(ii) In 2019 heeft de rechtbank Overijssel een omgangsregeling tussen de minderjarige en de vader vastgesteld, waarbij de omgang zal plaatsvinden eerst in Nederland, vervolgens in Europa en vanaf de zomer van 2022 in de Verenigde Staten.
2.2
In deze procedure verzoekt de vader, voor zover in cassatie van belang, een ruimere omgangsregeling vast te stellen. De moeder heeft zelfstandige verzoeken gedaan met betrekking tot de omgangsregeling.
2.3
De rechtbank heeft een omgangsregeling vastgesteld waarbij de omgang op de in de beschikking vermelde wijze zal plaatsvinden, eerst in Nederland en vervolgens in de Verenigde Staten.
2.4
De vader heeft in hoger beroep ook verzocht om te bepalen dat de moeder de helft van de reiskosten van de minderjarige van en naar de woonplaats van de vader in de Verenigde Staten voor haar rekening neemt.
2.5
In hoger beroep heeft het hof als omgangsregeling vastgesteld, samengevat:
(i) de minderjarige verblijft in de zomervakantie (voor het eerst in 2025) drie weken bij de vader in de Verenigde Staten;
(ii) de minderjarige verblijft in de kerstvakantie (voor het eerst in 2024) in de even jaren bij de vader in de Verenigde Staten;
(iii) de vader heeft het recht om de minderjarige te komen bezoeken en tijd met haar door te brengen in Nederland of een ander Schengenland, in de even jaren gedurende de meivakantie en in de oneven jaren gedurende de voorjaarsvakantie en herfstvakantie. Voorts heeft het hof bepaald dat de minderjarige bij de eerste twee reizen naar de Verenigde Staten dient te worden begeleid door de moeder of een andere vertrouwenspersoon (anders dan een medewerker van de vliegtuigmaatschappij) en dat de kosten van de tickets en de begeleiding van de minderjarige bij helfte door partijen moeten worden gedeeld.

3.Beoordeling van het middel

3.1.1 Onderdeel I van het middel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het heeft geoordeeld dat het op de voet van art. 1:377e BW een regeling kon treffen over de kosten van de omgang. Onderdeel II houdt in dat het hof, door ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, het verzoek van de man met betrekking tot de reiskosten had moeten opvatten als een verzoek om een bijdrage in de kosten van verzorging van de minderjarige of een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vader zelf.
3.1.2 De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind (art. 1:377a lid 1 BW). De rechter kan een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen (art. 1:377a lid 2 BW) en kan een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan (art. 1:377e lid 1 BW).
3.1.3 De onderdelen I en II stellen de vraag aan de orde of de rechter die op de voet van art. 1:377a lid 2 BW of art. 1:377e lid 1 BW een omgangsregeling vaststelt, bevoegd is om daarbij een beslissing te nemen over de verdeling van de reiskosten die met de uitvoering van die omgangsregeling gepaard gaan.
Het is in het belang van het kind dat de rechter die een omgangsregeling vaststelt, een regeling kan treffen over geschilpunten met betrekking tot de uitvoering van de omgangsregeling, zoals in dit geval de reiskosten. Dit bevordert dat de vastgestelde omgangsregeling daadwerkelijk wordt nagekomen. Het strookt daarom met de uit art. 8 EVRM Pro voortvloeiende positieve verplichting van de rechter om te bevorderen dat een kind contact heeft met zijn ouders [1] , dat de rechter deze bevoegdheid toekomt. De tekst van de wet en de parlementaire geschiedenis bieden geen aanknopingspunt voor een andersluidende opvatting.
De rechter die een omgangsregeling vaststelt, is daarom bevoegd om een regeling te treffen over geschilpunten met betrekking tot de uitvoering van de omgangsregeling, zoals geschilpunten over de daaraan verbonden reiskosten.
Evenzo is de rechter die een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststelt als bedoeld in art. 1:253a lid 2, onder a, BW, bevoegd om daarbij een regeling te treffen over geschilpunten met betrekking tot de uitvoering van die verdeling, waaronder geschilpunten over de daaraan verbonden reiskosten.
3.1.4 De onderdelen I en II berusten op de rechtsopvatting dat de rechter de hiervoor in 3.1.3 genoemde bevoegdheid niet heeft en dat het hof slechts over de reiskosten had kunnen beslissen in het kader van de vaststelling van kinder- of partneralimentatie. Die rechtsopvatting is onjuist. De onderdelen falen daarom.
3.2.1 Onderdeel III klaagt dat het hof bij zijn beslissing over de reiskosten ten onrechte voorbij is gegaan aan het betoog van de moeder over haar draagkracht en de draagkracht van de vader.
3.2.2 De rechter kan bij het treffen van een regeling over de verdeling van de reiskosten in het kader van een omgangsregeling acht slaan op alle omstandigheden van het geval. De omstandigheid dat het mogelijk maken van omgang tussen een kind en zijn ouders een gedeelde ouderlijke verantwoordelijkheid is, brengt niet mee dat in de regel of als uitgangspunt de reiskosten bij helfte tussen de ouders verdeeld dienen te worden. Indien de reiskosten, zoals in het onderhavige geval, substantieel zijn, ligt het voor de hand dat de rechter een verschil in draagkracht tussen de ouders in aanmerking neemt bij het vaststellen van een regeling over de verdeling daarvan.
3.2.3 De moeder heeft in reactie op het verzoek van de vader om te bepalen dat de moeder de helft van de reiskosten van de minderjarige van en naar de Verenigde Staten voor haar rekening neemt, gemotiveerd uiteengezet dat haar inkomen daarvoor onvoldoende is en dat de vader wel over voldoende inkomen en vermogen beschikt.
Omdat het hof geen kenbare aandacht aan dit betoog heeft besteed, is zijn oordeel over de verdeling van de reiskosten niet toereikend gemotiveerd. Het onderdeel slaagt daarom.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 juli 2024;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
20 juni 2025.

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, rov. 3.5 en HR 13 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1459, rov. 3.7.