Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
24 juni 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de klaagster cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die haar klaagschrift inzake teruggave van inbeslaggenomen partijvoorwerpen ongegrond verklaarde. Het betrof beslag op 110 kilogram EU01 en 460 kilogram CLV03 onder verdenking van overtreding van artikel 18 van Pro de Warenwet.
De Hoge Raad heeft op basis van ingewonnen inlichtingen vastgesteld dat de inbeslaggenomen voorwerpen in november 2024 zijn vernietigd met machtiging van de officier van justitie van 21 oktober 2024, conform artikel 117 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Dit betekent dat het beslag op deze voorwerpen is beëindigd.
Gelet op artikel 134 lid 2 sub c Sv Pro, dat bepaalt dat beslag wordt beëindigd indien de machtiging tot vernietiging is verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd, is het cassatieberoep van de klaagster niet ontvankelijk. De Hoge Raad neemt het beroep daarom niet in behandeling en verklaart het niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beslag op de partijvoorwerpen is beëindigd door vernietiging.