Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, het onttrekken van gelden aan de boedel, het niet voldoen aan administratieplicht en valsheid in geschrift. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld op basis van bewijs dat het faillissement voorzienbaar was en dat hij (voorwaardelijk) opzet had op het verkorten van de rechten van schuldeisers.
De verdachte stelde in cassatie diverse bewijsklachten aan de orde, onder meer over de voorzienbaarheid van het faillissement, de vraag of het niet overleggen van administratie strafbaar was onder het oude artikel 343 Sr Pro, en of hij gebruik had gemaakt van de geschriften die vals waren. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was om de vragen nader te motiveren, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor faillissementsfraude en valsheid in geschrift.