Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 9 september 2024, waarin een klaagschrift over beslag op kledingstukken en gereedschappen werd behandeld. De klager stelde dat hij ten onrechte niet als beslagene en belanghebbende was aangemerkt en dat de rechtbank een onjuiste maatstaf had toegepast.
De Hoge Raad overwoog dat bij beslag op grond van artikel 94 Sv Pro de rechtbank moet beoordelen of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vereist. Indien niet, moet teruggave aan de beslagene worden gelast, tenzij een ander als rechthebbende moet worden beschouwd. De rechtbank had op basis van het dossier geoordeeld dat aanwijzingen bestonden dat de goederen van diefstal afkomstig waren, wat het voortduren van het beslag rechtvaardigde.
De Hoge Raad vond dat de rechtbank de juiste maatstaf had toegepast en dat het beroep niet tot cassatie kon leiden. De conclusie van de advocaat-generaal tot verwerping van het beroep werd gevolgd. Het beroep werd derhalve verworpen en het beslag bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op kleding en gereedschap blijft gehandhaafd.