Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beslissing
23 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte stelde zijn woning ter beschikking voor hennepteelt en ontving hiervoor een vergoeding van € 1.000 per maand, terwijl de huur € 700 bedroeg. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte medeplichtig was aan diefstal van elektriciteit en water door illegale aftakkingen buiten de meter om, maar de verdachte ontkende zelf de diefstal te hebben gepleegd.
De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was dat de verdachte opzettelijk medeplichtig was aan de diefstal van elektriciteit en water. De Hoge Raad bevestigde dat voor medeplichtigheid niet alleen opzet op het verschaffen van gelegenheid vereist is, maar ook opzet op het onderliggende misdrijf, hier de diefstal.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld dat de verdachte zich bewust was dat de vergoeding niet toereikend was om de extra benodigde elektriciteit en water legaal af te nemen. Ook ontbraken andere concrete aanwijzingen voor opzet op de diefstal. Het algemene gegeven dat henneptelers vaak illegaal stroom en water afnemen, kan het oordeel van het hof niet zelfstandig dragen.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaringen en strafoplegging betreft met betrekking tot de diefstal van elektriciteit en water, en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de bewezenverklaringen en strafoplegging betreft over diefstal elektriciteit en water en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.