Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
4.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor mishandeling van zijn moeder door haar met twee handen tegen de borst en/of buik te duwen, waardoor zij viel en ernstig letsel opliep. Het hof erkende een noodweersituatie vanwege een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door de moeder, die de verdachte op zijn wang sloeg en op zijn arm krabde. Het hof verwierp echter het beroep op noodweer omdat de duw als disproportioneel werd beoordeeld.
De Hoge Raad herhaalt de proportionaliteitseis bij noodweer en oordeelt dat het hof niet zonder meer begrijpelijk heeft geoordeeld dat de forse duw niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding. De verdachte moest langs zijn moeder om de uitgang te bereiken en had haar meermalen gevraagd te stoppen. Het feit dat de moeder door de duw viel en ernstig letsel opliep, maakt het oordeel niet anders.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling en afdoening. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 30 juni 2026.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting wegens disproportionele noodweerreactie.