Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:1026

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
26/01025
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46m WrraArt. 46o WrraArt. 46p WrraArt. 5f Wrra
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag rechter-plaatsvervanger na negatieve eindbeoordeling opleiding

De Procureur-Generaal heeft bij de Hoge Raad een vordering ingediend tot ontslag van een rechter-plaatsvervanger op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra, omdat de betrokkene sinds 1 februari 2023 niet meer is opgeroepen na een negatieve eindbeoordeling van haar opleiding tot rechter.

De betrokkene voerde aan dat de termijn van twee jaar niet volledig moet worden meegeteld vanwege een periode van ziekte en dat de procedure rond haar eindbeoordeling niet correct was verlopen. Zij verzocht onder meer om vernietiging van de besluiten en toekenning van een transitievergoeding.

De Hoge Raad oordeelde dat de ziekteperiode de termijn niet onderbreekt en dat de negatieve beoordeling en beëindiging van de opleiding een voldoende zwaarwegende reden vormen voor ontslag. De verzoeken van de betrokkene die buiten het ontslagverzoek vielen, werden afgewezen. De Hoge Raad ontslaat de betrokkene met ingang van 1 juli 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad ontslaat de betrokkene met ingang van 1 juli 2026 als rechter-plaatsvervanger wegens niet-oproepen na negatieve eindbeoording opleiding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer26/01025
Datum26 juni 2026
ARREST
op een vordering, als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 24 maart 2026, tot ontslag als rechterlijk ambtenaar van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1989, wonend te [woonplaats],
hierna: de betrokkene.

1.De vordering van de Procureur-Generaal

1.1
De Procureur-Generaal heeft op 24 maart 2026 schriftelijk gevorderd dat de Hoge Raad de betrokkene op de voet van artikel 46m, aanhef en onder d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) zal ontslaan met ingang van 1 juni 2026.
1.2
Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal de volgende stukken overgelegd:
i. de brief van 25 augustus 2025 van de president van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de president van de rechtbank) aan de Procureur-Generaal inhoudende een verzoek tot het instellen van een vordering tot ontslag van de betrokkene, met de volgende bijlagen:
1. de aanstellingsbrief van 25 maart 2020, het benoemingsbesluit van de Minister voor rechtsbescherming van 26 februari 2020 en het vaststellingsbesluit van de Raad voor de rechtspraak van 18 maart 2020,
2. de besluiten van 1 februari 2023 tot vaststelling van de eindbeoordeling en beëindiging van de benoeming tot rechter in opleiding,
3. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 1 mei 2025 waarin het beroep van de betrokkene tegen de eindbeoordeling ongegrond is verklaard, en
4. de brief van 19 juni 2025 van de president van de rechtbank aan de betrokkene met het verzoek ontslag als rechter-plaatsvervanger aan te vragen;
ii. de e-mail van 5 september 2025 van de president van de rechtbank aan het kabinet van de Procureur-Generaal;
iii. het Koninklijk Besluit van 6 maart 2020 tot benoeming van de betrokkene tot rechter-plaatsvervanger;
iv. de brief van 30 september 2025 van de Procureur-Generaal aan de betrokkene;
v. de e-mail van 3 november 2025 van de betrokkene met haar (verkorte) zienswijze;
vi. de brief van 10 november 2025 van de Procureur-Generaal aan de betrokkene;
vii. de brief van 2 december 2025 van de Procureur-Generaal aan de president van de rechtbank;
viii. de brief van 10 november 2025 van de Procureur-Generaal aan de betrokkene;
ix. de brief van 3 februari 2026 van het kabinet van de Procureur-Generaal aan de betrokkene met de volgende bijlagen:
1. het proces-verbaal van het online zienswijzegesprek, en
2. de brief van de president van de rechtbank aan de Procureur-Generaal van 12 december 2025
x. de brief van 11 februari 2026 van de betrokkene aan de Procureur-Generaal, inhoudende haar reactie op de brief van de president van de rechtbank van 12 december 2025, met de volgende bijlagen:
1. het door de betrokkene ondertekend proces-verbaal van het online zienswijzegesprek;
2. een verklaring van 6 maart 2025 van een andere voormalige rechter in opleiding in de rechtbank Noord-Nederland;
xi. de e-mail van 13 februari 2026 van de betrokkene aan het kabinet van de Procureur-Generaal met als bijlage (naast een kopie van haar hiervoor onder x bedoelde brief van 11 februari 2026 en de daarbij gevoegde verklaring van 6 maart 2025) het evaluatierapport ‘Opleiden voor een toekomstige rechter’ van 18 juni 2025; en
xii. de brief van 26 februari 2026 van het kabinet van de Procureur-Generaal aan de betrokkene met als bijlage het door haar en de Procureur-Generaal ondertekende proces-verbaal van het online zienswijzegesprek.

2.Zienswijze van de betrokkene

2.1
De betrokkene heeft haar standpunt uiteengezet in de hiervoor in 1.2 onder v genoemde zienswijze van 3 november 2025, de hiervoor in 1.2 onder x genoemde brief van 11 februari 2026 en de zienswijze die zij bij brief van 5 mei 2026 in aanvulling op haar eerdere stukken bij de Hoge Raad heeft ingediend. Samengevat houdt het standpunt van betrokkene in dat zij vindt dat er in haar geval zwaarwegende redenen zijn die meebrengen dat indiening en toewijzing van het ontslagverzoek niet gerechtvaardigd zijn en zij wijst daarbij op de volgende drie punten. Van 11 april 2023 tot 1 oktober 2024 kon de betrokkene wegens ziekte niet als rechter-plaatsvervanger worden opgeroepen en deze periode behoort daarom niet te worden betrokken in de termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra. De betrokkene is na de beëindiging van de opleiding niet meer opgeroepen als rechter-plaatsvervanger omdat zij is opgekomen tegen de eindbeoordeling van haar opleiding tot rechter. De procedures over die eindbeoordeling en de daaropvolgende beëindiging van haar opleiding tot rechter zijn niet conform wet- en regelgeving verlopen, omdat daarin geen volledige herbeoordeling heeft plaatsgevonden en de onpartijdigheid niet was gewaarborgd. De betrokkene verzoekt de Hoge Raad:
- haar alsnog voor te dragen voor benoeming tot rechter, althans de beslissing op haar bezwaar tegen de eindbeoordeling en de beëindiging van haar benoeming tot rechter in opleiding, alsmede de uitspraak van de CRvB te vernietigen en de zaak terug te wijzen, met vergoeding van de proceskosten in bezwaar en beroep;
- vast te stellen dat het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Nederland haar schade als gevolg van het te vernietigen besluit moet vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente; en
- indien de Hoge Raad de vordering tot ontslag toewijst, haar een wettelijke transitievergoeding en sociale zekerheidsrechten, waaronder de opbouw van pensioenrechten toe te kennen, vermeerderd met wettelijke rente.
2.2
De president van de rechtbank heeft op 11 mei 2026 schriftelijk gereageerd op de zienswijze van de betrokkene van 5 mei 2026 en de Hoge Raad verzocht de verzoeken van de betrokkene af te wijzen. Deze reactie is toegezonden aan de betrokkene.
2.3
De zienswijze en de reactie hierop van de president van de rechtbank zijn voorafgaand aan de behandeling in raadkamer toegezonden aan de Procureur-Generaal.

3.De raadkamer

3.1
Op 19 mei 2026 heeft de Hoge Raad in raadkamer het onderzoek als bedoeld in artikel 46p, lid 1, Wrra ingesteld. De betrokkene en de president van de rechtbank zijn in kennis gesteld van de datum en het tijdstip van het onderzoek in raadkamer en zijn uitgenodigd bij dit onderzoek aanwezig te zijn. Beiden hebben de waarnemend griffier van de Hoge Raad bericht niet bij het onderzoek aanwezig te zullen zijn.
3.2
De Procureur-Generaal heeft in raadkamer zijn vordering toegelicht.
3.3
Van het onderzoek in raadkamer is een proces-verbaal opgemaakt.

4.Feiten waar de Hoge Raad van uitgaat

4.1
Bij de beoordeling van de vordering van de Procureur-generaal gaat de Hoge Raad uit van het volgende, zoals daarvan blijkt uit de hiervoor in 1.2 vermelde stukken:
(i) De betrokkene is met ingang van 1 april 2020 benoemd tot rechter in opleiding in de rechtbank Noord-Nederland. In verband met haar opleiding tot rechter is zij bij Koninklijk Besluit van 6 maart 2020 benoemd tot rechter-plaatsvervanger in deze rechtbank.
(ii) Bij besluit van 1 februari 2023 heeft het gerechtsbestuur de eindbeoordeling van de opleiding, in overeenstemming met het advies van de beoordelingscommissie, op een onvoldoende vastgesteld. De opleiding van de betrokkene is in dezelfde maand geëindigd.
(iii) De betrokkene is sinds 1 februari 2023 niet meer ingezet als rechter-plaatsvervanger.
(iv) Bij brief van 1 februari 2023 heeft de president van de rechtbank de betrokkene bericht dat haar benoeming tot rechter in opleiding per 1 mei 2023 eindigt. In deze brief heeft de president van de rechtbank betrokkene tevens verzocht om een schriftelijke aanvraag tot ontslag als rechter-plaatsvervanger in te dienen.
(v) De betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen de eindbeoordeling en tegen de beëindiging van haar benoeming tot rechter in opleiding. Bij besluit van 15 januari 2024 heeft het gerechtsbestuur de bezwaren tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld. De CRvB heeft dit beroep bij uitspraak van 1 mei 2025 ongegrond verklaard.
(vi) De president van de rechtbank heeft bij brief van 19 juni 2025 de betrokkene opnieuw verzocht ontslag te vragen als rechter-plaatsvervanger en aangekondigd dat als de betrokkene hieraan geen gevolg geeft, de president van de rechtbank haar zal voordragen voor ontslag door de Hoge Raad. De betrokkene heeft aan het verzoek van de president van de rechtbank geen gevolg gegeven.

5.Beoordeling

5.1
Op vordering van de Procureur-Generaal oordeelt de Hoge Raad over het verzoek van de functionele autoriteit om de betrokkene als rechter-plaatsvervanger te ontslaan op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra. Een zodanig ontslagverzoek dient niet alleen in te houden dat en waarom de rechter-plaatsvervanger gedurende een termijn van twee jaar niet is opgeroepen, aangesteld of aangewezen, maar dient ook een nadere motivering te bevatten waarin wordt uiteengezet waarom een voldoende zwaarwegende reden aanwezig is, gelegen in verklaringen of gedragingen van de rechter-plaatsvervanger of andere omstandigheden die hem betreffen, die de indiening en toewijzing van het ontslagverzoek rechtvaardigt. [1]
5.2
Uit het hiervoor in 1.1 onder i vermelde verzoek van 25 augustus 2025 blijkt dat de betrokkene sinds 1 februari 2023 niet meer is opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als rechter-plaatsvervanger en gedurende die periode ook niet aangesteld is geweest of tijdelijk is aangewezen als bedoeld in artikel 5f, lid 1 of lid 3, Wrra. Daarmee is voldaan aan de in artikel 46m, onder d, Wrra genoemde voorwaarde dat de betrokkene gedurende een termijn van twee jaren niet is opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als rechter-plaatsvervanger.
5.3
De omstandigheid dat de betrokkene, naar zij stelt, van 11 april 2023 tot 1 oktober 2024 wegens ziekte niet als rechter-plaatsvervanger kon worden ingezet, maakt dat niet anders. De wet biedt geen aanknopingspunt voor de opvatting dat de in artikel 46m, onder d, Wrra genoemde termijn niet loopt wanneer de rechter-plaatsvervanger arbeidsongeschikt is in de periode nadat de grond voor de benoeming is weggevallen door een negatieve beoordeling die resulteert in beëindiging van de opleiding.
5.4
De in het ontslagverzoek genoemde reden om de betrokkene niet langer als rechter-plaatsvervanger in te zetten, is dat de opleiding tot rechter na een negatieve beoordeling is geëindigd. De president van de rechtbank heeft bij brief van 1 februari 2023 – dus aanstonds na het besluit tot vaststelling van de eindbeoordeling – aan de betrokkene medegedeeld dat de beëindiging van de opleiding meebrengt dat van haar wordt verwacht ontslag te nemen als rechter-plaatsvervanger. Daartegenover heeft de betrokkene geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat zij niet meer is opgeroepen als rechter-plaatsvervanger omdat zij is opgekomen tegen de eindbeoordeling. De betrokkene beroept zich in dit verband op een verklaring van een andere voormalige rechter in opleiding. Dit baat haar niet, omdat die verklaring aan haar standpunt geen steun biedt.
5.5
De betrokkene is tot rechter-plaatsvervanger benoemd in verband met haar benoeming in het ambt van rechter in opleiding. Deze grond voor de benoeming tot rechter-plaatsvervanger is weggevallen na de negatieve beoordeling en het beëindigen van de opleiding. Niet is gebleken van een andere beweegreden om de betrokkene niet langer als rechter-plaatsvervanger in te zetten.
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de Hoge Raad sprake van een voldoende zwaarwegende reden als hiervoor in 5.1 bedoeld. [2]
5.6
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarden voor ontslag op grond van artikel 46m, aanhef en onder d, Wrra is voldaan en dat de betrokkene dient te worden ontslagen als rechterlijk ambtenaar. Gelet op de datum van deze uitspraak zal de Hoge Raad de betrokkene ontslaan met ingang van 1 juli 2026.
5.7
De hiervoor in 2.1 genoemde verzoeken van de betrokkene gaan de reikwijdte van de onderhavige procedure te buiten. De Hoge Raad is niet bevoegd de betrokkene voor benoeming tot rechter voor te dragen en evenmin om de beslissingen op haar bezwaar en beroep met betrekking tot de eindbeoordeling en de beëindiging van haar benoeming tot rechter in opleiding te vernietigen. Voorts miskent het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding of een vergelijkbare vergoeding dat de wet aan het ontslag als rechter-plaatsvervanger geen vergoeding verbindt.
Beslissing
De Hoge Raad ontslaat mr. L.B. Bartels-van Goor met ingang van 1 juli 2026 uit het ambt van rechter-plaatsvervanger.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vice-president V. van den Brink en de raadsheren P.A.G.M. Cools, C. Caminada en G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier C.E. Cornet, en in het openbaar uitgesproken op
26 juni 2026

Voetnoten

1.HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1995 en ECLI:NL:HR:2021:1996, rov. 4.1 t/m 4.4.
2.HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:328, rov. 4.3.