Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie centraal. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar het gerechtshof Den Haag had dit oordeel herzien en het bezit van een vuurwapen (pistool) met vijf stuks munitie bewezen verklaard. De verdachte stelde in cassatie een motiveringsklacht over de categorisering van het aangetroffen wapen en de munitie.
De Hoge Raad overwoog dat voor de bewezenverklaring van het bezit van een vuurwapen en munitie geen deskundigenrapport of wapenrapport noodzakelijk is. Het hof had de proces-verbaal van de opsporingsambtenaar als betrouwbaar beoordeeld en op basis daarvan vastgesteld dat het om een vuurwapen van categorie III sub 1 ging. De aanwezigheid van munitie in het patroonmagazijn van het pistool leidde tot de conclusie dat deze munitie ook tot categorie III behoorde.
De verdediging had in hoger beroep de betrouwbaarheid van het proces-verbaal niet betwist en geen opmerkingen gemaakt over de categorisering. Daarom was het hof niet gehouden tot nadere motivering. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de bewezenverklaring en daarmee de veroordeling in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van het bezit van een vuurwapen en munitie.