ECLI:NL:HR:2026:1030

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
24/03929
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138aa SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot medeplegen wederrechtelijk verblijf op besloten haventerrein bevestigd

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot medeplegen van het wederrechtelijk verblijven op een besloten plaats in de haven van Rotterdam, specifiek het terrein van A, samen met drie anderen. De gedragingen bestonden uit het zich laten afzetten door een taxi nabij het terrein, het dragen van donkere kleding en meerdere lagen, het bij zich hebben van een betonschaar, containerzegels, en andere attributen geschikt voor het betreden en verblijven op het terrein. Douaneambtenaren zagen de groep bij het hek staan en hielden hen staande, waarbij een van hen een telefoon kapot sloeg.

De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van een strafbare poging omdat geen begin van uitvoering was vastgesteld. Het hof oordeelde echter dat de gedragingen concreet en in tijd en plaats dicht bij de voltooiing van het misdrijf lagen, en dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het wederrechtelijk verblijf. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en herhaalt de criteria voor strafbare poging zoals geformuleerd in eerdere arresten, waarbij het gaat om gedragingen die naar uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op voltooiing van het misdrijf.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de gedragingen van de verdachte en mededaders als begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf moeten worden aangemerkt. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde berust op artikel 138aa lid 1 en 3 Sr, in samenhang met artikel 45 lid 1 Sr Pro. De strafverzwarende omstandigheden uit lid 2 worden niet als zelfstandige strafbepaling gezien. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 30 juni 2026.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt strafbaarheid poging tot medeplegen wederrechtelijk verblijf op besloten haventerrein en verwerpt cassatieberoep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03929
Datum30 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 oktober 2024, nummer 22-000399-24, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot het wederrechtelijk verblijven op een in de haven gelegen besloten plaats. Het voert daartoe aan dat uit de bewijsvoering niet een begin van uitvoering van dat misdrijf kan worden afgeleid.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 19 januari 2024 te Maasvlakte Rotterdam , gemeente Rotterdam , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hun voorgenomen misdrijf om zich de toegang te verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [A] , en aldaar wederrechtelijk te verblijven, opzettelijk met zijn mededaders
- gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd is afgezet door een taxi ter hoogte van het haventerrein van de [A] ,
- een betonschaar heeft meegenomen, welk voorwerp geschikt is om sloten en/of containers te openen,
- een tas met daarin meerdere voorwerpen, waaronder een powerbank, eten, drinken, telefoons en een zaklamp, heeft meegenomen, welke voorwerpen geschikt zijn om enige tijd op het haventerrein te verblijven,
- terwijl zijn mededaders in het bezit waren van containerzegels,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van Aanleiding d.d. 19 januari 2024 van de Douane Rotterdam Haven met nr. 2024650018272. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 137 en 138):
als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Op 19 januari 2024, omstreeks 03:17 uur hoorden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden ambtenaar van de douane en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, via onze portofoon van collega’s dat er een taxibus stopte op de [a-straat] te Rotterdam . Wij hoorden dat de collega’s die zich op het [A] terrein bevonden en dat zij zagen dat er vier personen bij het hek stonden.
Toen wij ons op de [a-straat] bevonden, zagen wij in de verte dat de taxi bus omdraaide. Wij zagen ter hoogte van waar de taxibus om was gedraaid vier personen in donkere kleding.
Ik, [verbalisant 1] , ben uitgestapt en ik zei tegen de vier personen dat ze op hun knieën moesten gaan zitten.
Ik, [verbalisant 2] , zag dat de dikste van de vier personen een bivakmuts droeg.
Wij zagen dat 1 van de 4 personen zijn telefoon op de stoeptegels kapot aan het slaan was.
2. Een proces-verbaal van verhoor d.d. 19 januari 2024 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024020600-28. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina’s 63 tot en met 68):
als de op voormelde datum afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] :
Vraag verbalisant:
Je bent aangehouden nadat dat jij en drie anderen uit een taxi stapten bij de [A] op de Maasvlakte Rotterdam . Wat kan je daar over verklaren?
Antwoord verdachte:
Toen ze naar het hek gingen lopen, liep ik weg.
Vraag verbalisant:
Wist je wat je ging doen?
Antwoord verdachte:
We hebben van een onbekende man een hele uitleg gekregen in de bus. Ik ben in die bus gestapt en heb toen uitleg gekregen.
Vraag verbalisant:
Wie zijn die andere personen?
Antwoord verdachte:
Die ken ik niet.
Vraag verbalisant:
Zijn die gelijk met jou in de taxi gestapt?
Antwoord verdachte:
Ze zaten al in die taxi.
Vraag verbalisant:
Moest je daar op dat terrein drugs uit containers halen?
Antwoord verdachte:
Ze zeiden alleen verplaatsen ofzo.
Vraag verbalisant:
Van wie kreeg jij de opdracht om naar het terrein van de [A] te gaan?
Antwoord verdachte:
Iemand die ik niet kende.
Vraag verbalisant:
Kreeg jij of een van de personen met wie jij samen was van buitenaf telefonisch of doormiddel van een chatgesprek aanwijzingen over wat jullie moesten gaan doen?
Antwoord verdachte:
We moesten onze telefoon uit doen. De man die de opdracht gaf, gaf een telefoon aan iemand. Hij gaf een kleine iPhone aan iemand.
Vraag verbalisant:
Wat heb jij gekregen of wat zou jij krijgen voor jouw werkzaamheden op het terrein?
Antwoord verdachte:
Ik had een vriend via een chat gesproken en hij zei dat ik € 25.000,- zou krijgen en dat ik alleen maar moest klimmen. Dat zou ik niet vooraf krijgen. Het was wel een beetje ingewikkeld, want de opdrachtgever zei € 15.000,-.
Vraag verbalisant:
Er zijn tijdens de fouillering ook containerzegels aangetroffen. Met deze zegels kan je containers verzegelen. Wat was je van plan met die zegels?
Antwoord verdachte:
Die heb ik gekregen.
Vraag verbalisant:
Van wie heb je die zegels gekregen?
Antwoord verdachte:
Een onbekende opdrachtgever.
3. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2024 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024020600-42. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] :
Op 25 januari 2024 stelde ik een onderzoek in naar de data van de telefoon die op 19 januari 2024 inbeslaggenomen is. De telefoon werd aangetroffen bij de [medeverdachte 2] .
Ik trof op de telefoon verschillende chatberichten aan.
Ik zag dat er chatberichten gestuurd werden op 18 januari, waarbij er gesproken werd over een ontmoeting buiten. De verdachte moest zich helemaal in het zwart kleden en er werd gesproken over het feit wanneer ze aangehouden zouden worden dat ze zwijgrecht moesten gebruiken. Verder is er één chat waarin de verdachte een bericht stuurt naar een onbekend persoon: In deze chat typt hij ‘je wilde toch weten hoe je gevraagd werd om uit te halen?’.
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2024 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024020600-13. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 14 en 15):
als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :
Op 19 januari 2024 omstreeks 03:26 uur hoorden wij, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , dat er op de [a-straat] te Maasvlakte Rotterdam , vier personen door een taxi waren afgezet ter hoogte van het haventerrein van de [A] .
Omstreeks 03:39 uur waren wij ter plaatsen op de [a-straat] ter hoogte van de [A] .
Daar zagen wij vier personen op het grasveld zitten tussen de [a-straat] en het hek van de [A] . Wij zagen dat de douane bij de verdachten stonden.
Ik, [verbalisant 4] , zag dat tussen de verdachten een gele betonschaar lag, een tas met daarin een powerbank en eten en drinken en telefoons en een zaklamp. Ik zag dat de vier personen veel kledinglagen aan hadden en donker waren gekleed.
Wij hebben vervolgens de verdachten één voor één gefouilleerd.
Ik, [verbalisant 4] , zag in de linker jaszak van [medeverdachte 3] twee containerzegels.
Later op het politiebureau bleek [medeverdachte 3] te zijn:
[medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 2006.
Ik, [verbalisant 5] , fouilleerde de [medeverdachte 1] en ik dat hij twee containerzegels in zijn linker jaszak had.
Later op het politiebureau bleek [medeverdachte 1] te zijn:
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 2009.
5. Een proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 19 januari 2024 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024020600-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 30 en 31):
als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :
Op 19 januari 2024 om 04:15 uur, werd door ons, verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , op de locatie [a-straat] , Maasvlakte Rotterdam , aangehouden als verdachte:
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedatum] 2003
6. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2024 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024020600-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 28 en 29):
als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] :
Op vrijdag 16 februari 2024, werd ons, verbalisanten, een mail verzonden vanuit de recherche met de vraag of er een van de verdachten die wij op 19 januari 2024 aan hadden gehouden, verschijnselen vertoonde van alcohol- en/of drugsgebruik. Deze verdachten hebben wij na de aanhouding vervoerd vanaf de Maasvlakte Rotterdam richting het politiebureau [B] in het centrum van Rotterdam .
Bij de aangehouden verdachte [verdachte] , zagen en roken wij geen verschijnselen van alcohol of drugsgebruik.
7. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming, van de Politie Eenheid Rotterdam met registratienr. PL1700-2024020600-10. Deze kennisgeving houdt onder meer in (pagina 102 tot en met 104):
Inbeslagneming
Plaats : [a-straat] , Maasvlakte Rotterdam
Datum en tijd : 19 januari 2024 te 04:15 uur
Omstandigheden : Telefoon in beslag genomen i.v.m. aanhouding heterdaad
Beslagene
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedatum] 2003
Volgnummer 1
Goednummer : PL1700-2024020600-6702889
Categorie omschrijving : Geluid en beeldapp/drager
Object : Communicatieap (Telefoon)
Merk/type : Apple Iphone
Bijzonderheden : Simkaart is vergrendeld, niet mogelijk om op vliegtuigstand
8. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2024 van de Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2024020600-39. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 20 en 21):
als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 8] :
Op 20 januari 2024 onderzocht ik de digitale data die afkomstig waren van het toestel met goednummer PL1700-2024020600-6702907. Dit betrof een iPhone die op 19 januari 2024 bij de aangehouden verdachte [medeverdachte 1] aangetroffen en in beslag genomen was. De telefoon is met toestemming van de officier van justitie door daarvoor opgeleid personeel uitgelezen, waarna de data digitaal beschikbaar kwamen.
Algemeen
Ik zag dat de data afkomstig waren van een telefoon van het merk Apple, type iPhone 7. Ik zag dat het [IMEI-nummer] aan het toestel was gekoppeld. Ik zag dat de Apple-ID ‘ [e-mailadres] ’ aan het toestel was gekoppeld. Ik zag dat de tijd ingesteld was op UTC +1 (Amsterdam). De tijden die in dit proces-verbaal genoemd worden, zijn dan ook in UTC +1 tijd vermeld.
Installatie telefoon
Uit de door mij onderzochte data bleek dat het toestel op 17 januari 2024 in gebruik genomen is. Op de middag van 17 januari 2024 is te zien dat het toestel geïnstalleerd wordt en dat er daartoe onder meer berichten van Apple, WhatsApp en Lebara binnenkomen waaruit dit blijkt.
De Apple ID ‘ [e-mailadres] ’ werd op 17 en 18 januari 2024 aan het toestel gekoppeld. De gebruiker van deze Apple ID wordt in e-mailberichten door Apple aangesproken als ‘H T’.
Contacten en eigen nummer
Via dit toestel werd (afgezien van berichten met betrekking tot de installatie van het toestel) slechts met één ander nummer contact gemaakt. Dit nummer komt voor in de oproepgeschiedenis van de telefoon en als WhatsApp-contact: [telefoonnummer 1] met de gebruikersnaam ‘ [team] ’.
Bij dit contact staat als profielafbeelding het mij ambtshalve bekende logo van het [team] ingesteld. Uit de WhatsApp-chat blijkt dat het [telefoonnummer 2] gebruikt wordt door de eigenaar van het toestel, met als gebruikersnaam ‘ [naam] ’.
Chats
Er is één gesprek waarvan de data inhoudelijk zichtbaar zijn, dit betreft een WhatsApp-gesprek tussen [team] met het account [accountadres] en [naam] met het account [accountnummer] (zie boven).
Deze chat start op 19 januari 2024 om 02:22 uur. [team] stuurt een bericht naar [naam] met de inhoud: ‘Test’. Hierna volgen twee systeemberichten en om 02:33 uur stuurt [team] nogmaals een testbericht. Om 02:36 uur stuurt [naam] een locatie naar [team] , dit betreft de locatie [b-straat] ter hoogte van pand [nummer] in Rotterdam . Om 03:03 uur stuurt [naam] : 10 min bro.
Om 03:16 uur stuurt [team] een bericht met de inhoud: Yooo. Hierna zijn er geen berichten meer verstuurd tussen de beide accounts.
Opmerking verbalisant: uit de diverse documenten bleek dat dit omstreeks het tijdstip was dat de verdachten door de Douane waren gezien nabij het terrein van de [A] .
Locatie
Uit de locatiedata van de telefoon viel af te leiden dat het toestel op 19 januari omstreeks 02:36 uur op de [b-straat] ter hoogte van pand [nummer] was. Vanaf 02:42 uur was te zien dat het toestel in beweging was, in de richting van de Europoort. Om 04:11 uur peilde het toestel uit bij een zendmast in de directe omgeving van gebouw [nummer] van de [A] , op de Maasvlakte in Rotterdam . Dit is vlakbij de locatie van de aanhouding van [medeverdachte 1] .
Gemiste oproepen
Ik zag dat er tussen 03:15 en 03:49 uur meerdere gemiste oproepen waren vanaf het [telefoonnummer 1] , dat gebruik maakte van de naam [team] . Na 03:49 uur waren er geen oproepen naar het toestel meer te zien.”
2.2.3
Het hof heeft verder onder meer overwogen:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota vrijspraak bepleit, omdat – kort gezegd – geen sprake is van een strafbare poging, nu er geen begin van uitvoering is geweest die gericht was op voltooien van het misdrijf. (...)
Het hof stelt het volgende voorop.
(...)
In artikel 138aa Sr is onder meer strafbaar gesteld (1) het verblijven op een besloten plaats en (2) het zich toegang verschaffen tot die plaats door middel van bepaalde nader in dat artikellid omschreven en strafbaar gestelde handelingen. Het hof merkt evenwel op dat aan de verdachte naast een poging tot het ‘verblijven op’, een poging tot het ‘toegang verschaffen tot’ een besloten plaats ten laste is gelegd, maar dat in de tenlastelegging bij het ‘toegang verschaffen’ de strafbaar gestelde handelingen (om zich toegang tot die plaats te verschaffen) ontbreken.
Voorts wordt het volgende overwogen.
Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, samen met anderen, bezig is geweest om het in de tenlastelegging genoemde gevolg te bewerkstelligen. Het hof leidt dit af uit de volgende feiten en omstandigheden.
De verdachte is omstreeks half vier ‘s-nachts samen met drie anderen door een taxibus afgezet op de Maasvlakte Rotterdam , ter hoogte van het besloten terrein [A] . De douaneambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zien de vier mannen bij het hek van [A] staan. De [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de anderen al in de taxi zaten toen hij instapte en dat zij in de taxi uitleg kregen; het ging over iets verplaatsen. Het hof leidt uit die verklaring van [medeverdachte 3] af dat de verdachte zich, toen de uitleg werd gegeven, in de taxi bevond. Verder heeft [medeverdachte 3] verklaard dat zij hun telefoons moesten uitdoen en dat hij containerzegels kreeg. Hot hof leidt uit het dossier af dat de telefoon van de verdachte, die bij zijn aanhouding in beslag werd genomen, toen op de vliegtuigstand stond. [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat hij eerder al op de chat via een vriend te horen had gekregen dat hij zou moeten klimmen en dat hij daarvoor € 25.000,- zou krijgen, maar dat dit volgens de opdrachtgever slechts € 15.000,- zou zijn. Uit het onderzoek dat later door de opsporingsambtenaren is ingesteld naar het dataverkeer op de telefoon, die bij de [medeverdachte 2] bij diens aanhouding is aangetroffen, is een chatbericht van de dag ervoor gevonden, waarin is gesproken over een ontmoeting buiten, zich in het zwart kleden en zich bij aanhouding op het zwijgrecht beroepen. In een ander chatbericht vraagt [medeverdachte 2] aan een onbekend persoon of hij wilde weten hoe men gevraagd wordt om uit te halen. In het proces-verbaal van bevindingen van het aantreffen van de verdachten bij het hek van [A] hebben de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] gerelateerd dat zij zagen dat de verdachten allen in het zwart waren gekleed, meerdere lagen kleding over elkaar droegen en dat tussen hen de volgende goederen lagen: een betonschaar, een tas met daarin een powerbank, eten, drinken, telefoons en een zaklamp. Het hof merkt op dat dit attributen zijn, die geschikt zijn om zich toegang tot het terrein en containers te verschaffen en om langere tijd op het terrein te verblijven. Bij de fouillering van de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn ook nog containerzegels aangetroffen. Eén van de medeverdachten droeg een bivakmuts en sloeg (na ontdekking door de douaneambtenaren) een telefoon kapot.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden naar hun uiterlijke verschijningsvormen, gericht op het gezamenlijk betreden van en vervolgens verblijven op het terrein van [A] . Naar het oordeel van het hof is het delict slechts niet voltooid omdat dit nog net op tijd door de douaneambtenaren werd verijdeld.
(...)
Al deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien maken dat het hof van oordeel is dat de verdachte het voornemen had om samen met anderen op het besloten terrein van [A] te verblijven en dat de door de verdachte en zijn medeverdachten verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate op de voltooiing daarvan waren gericht. Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval voldoende komen vast te staan dat sprake was van feitelijke en opzettelijke samenwerking en aldus van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op het wederrechtelijk verblijven op het haventerrein, zodat het hof ook het ‘in vereniging’ plegen van het tenlastegelegde bewezen acht.
Het hof verwerpt het verweer.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot het wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 45 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr):
“Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.”
- Artikel 138aa Sr, zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:
“1. Hij die wederrechtelijk verblijft op een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. Hij die zich de toegang heeft verschaft tot een in het eerste lid bedoelde plaats door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of door middel van een valse of niet aan betrokkene toebehorende toegangspas, een valse hoedanigheid of misleiding van een persoon, belast met de bewaking van die plaats, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. De in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd, indien:
a. de schuldige zich op de besloten plaats, bedoeld in het eerste lid, de toegang heeft verschaft tot een gebouw, ruimte of vervoermiddel bestemd voor de distributie, opslag of overslag van goederen door middel van de handelingen, bedoeld in artikel 138, tweede lid;
b. het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.”
- Artikel 138aa Sr, zoals dat luidt sinds 1 januari 2026:
“1. Hij die wederrechtelijk verblijft op een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.
2. De schuldige die zich de toegang tot de in het eerste lid bedoelde plaats heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum, of door middel van een valse of niet aan betrokkene toebehorende toegangspas, een valse hoedanigheid of misleiding van een persoon, belast met de bewaking van die plaats, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. De in het eerste en tweede lid bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd, indien:
a. de schuldige zich op de besloten plaats, bedoeld in het eerste lid, de toegang heeft verschaft tot een gebouw, ruimte of vervoermiddel bestemd voor de distributie, opslag of overslag van goederen door middel van de handelingen, bedoeld in artikel 138, tweede lid;
b. het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.”
2.4
Voor een strafbare poging is vereist dat gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388 en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:479).
2.5
Artikel 138aa lid 1 Sr stelt strafbaar het wederrechtelijk verblijf op een in een haven, luchthaven of spoorwegemplacement gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen. Op die gedraging is een gevangenisstraf gesteld van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. Mede uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 138aa Sr zoals deze is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.8 en 2.9, kan worden afgeleid dat artikel 138aa lid 2 Sr als strafverzwarende omstandigheid moet worden aangemerkt die inhoudt dat degene die wederrechtelijk verblijft op een besloten plaats (als bedoeld in artikel 138aa lid 1 Sr) zich de toegang tot die plaats heeft verschaft door middel van (één of meer van) de in artikel 138aa lid 2 Sr bedoelde middelen. Artikel 138aa lid 3 Sr noemt twee omstandigheden waaronder de in artikel 138aa lid 1 en 2 Sr bedreigde straf (verder) wordt verzwaard. Artikel 138aa lid 2 (oud) Sr en het huidige artikel 138aa lid 2 Sr bevatten dus niet een afzonderlijke strafbepaling.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel veronderstelt dat het hof de verdachte heeft veroordeeld voor een poging om (met anderen) het in artikel 138aa lid 1 Sr genoemde misdrijf te plegen onder de in artikel 138aa lid 2 Sr genoemde strafverzwarende omstandigheid, berust het op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit immers gebaseerd op artikel 138aa lid 1 en 3, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 45 lid 1 Sr Pro.
2.7.1
Het hof heeft in zijn bewijsvoering onder meer de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte is op 19 januari 2024 om ongeveer 3.30 uur samen met drie anderen door een taxi afgezet op de Maasvlakte bij het besloten terrein van [A] . In de taxi hadden zij uitleg gekregen over “iets verplaatsen”. Nadat de vier mannen waren uitgestapt, zagen douaneambtenaren/buitengewoon opsporingsambtenaren de taxi omdraaien en zagen die ambtenaren vier mannen in donkere kleding bij het hek van het [A] -terrein staan. Zij zagen dat een van die mannen een bivakmuts droeg en dat, na ontdekking en staandehouding door die ambtenaren, een van die mannen zijn telefoon kapot sloeg. De mannen bleken meerdere lagen kleding over elkaar te dragen en hadden een betonschaar bij zich, alsmede een tas met daarin een powerbank, eten, drinken, telefoons en een zaklamp. Bij de mededaders [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn containerzegels aangetroffen. Bij onderzoek aan de telefoon die is aangetroffen bij de [medeverdachte 2] , is een chatbericht van de dag ervoor gevonden, waarin is gesproken over een ontmoeting buiten, zich in het zwart kleden en zich bij aanhouding op het zwijgrecht beroepen. In een ander chatbericht vroeg [medeverdachte 2] aan een onbekende persoon of hij wilde weten hoe men gevraagd wordt om “uit te halen”. Tegenover de politie heeft de [medeverdachte 3] verklaard: “We moesten onze telefoon uit doen”. De telefoon van de verdachte, die bij zijn aanhouding in beslag werd genomen, stond in de vliegtuigstand.
2.7.2
Op deze vaststellingen heeft het hof zijn oordeel gebaseerd dat de gedragingen van de verdachte en de mededaders naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op het gezamenlijk betreden van en vervolgens verblijven op het terrein van [A] , en dat dat delict slechts niet is voltooid omdat dit nog net op tijd door de douaneambtenaren werd verijdeld. Het daarin besloten liggende oordeel dat de gedragingen van de verdachte en de mededaders moeten worden aangemerkt als een begin van uitvoering van dit voorgenomen misdrijf en een strafbare poging opleveren, getuigt in het licht van wat onder 2.4 is vooropgesteld niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat de vastgestelde gedragingen van de verdachte en de mededaders in tijd en plaats dicht lagen bij en concreet gericht waren op het wederrechtelijk verblijf op een in een haven gelegen besloten plaats.
2.8
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 juni 2026.