Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke ontploffing met levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen, zoals bedoeld in artikel 157, lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht.
De benadeelde partij had een vordering ingesteld voor materiële schade, waaronder de kosten van inhuur van een beveiligingsmedewerker. De vraag was of deze kosten als rechtstreekse schade konden worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft in deze cassatieprocedure overwogen dat het niet nodig is om op deze vraag in te gaan, omdat de klachten van verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, en uitgesproken op 7 juli 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van opzettelijke ontploffing met levensgevaar.