ECLI:NL:HR:2026:109
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie wegens niet-betaling griffierecht
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan over het beroep in cassatie van [X] B.V. tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 11 juli 2025. Het beroep in cassatie werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de belanghebbende, [X] B.V., het verschuldigde griffierecht niet had betaald. De griffier van de Hoge Raad had de belanghebbende op 24 september 2025 per aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en een termijn van vier weken gesteld. Deze brief was afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, maar het griffierecht werd niet voldaan. Op 27 oktober 2025 kreeg de belanghebbende opnieuw de gelegenheid om te reageren op het niet betalen van het griffierecht, maar ook hierop werd geen gebruik gemaakt. Gezien deze omstandigheden oordeelde de Hoge Raad dat het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om de proceskosten te veroordelen. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski.