Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van bedrieglijke bankbreuk als bestuurder van een reisbureau. De verdachte werd verweten schuldeisers te bevoordelen, gelden aan de boedel te onttrekken en niet te voldoen aan zijn administratieplicht.
In cassatie stelde de verdachte meerdere bewijsklachten, waaronder of hij daadwerkelijk als bestuurder kon worden aangemerkt in de bewezenverklaarde periode, of het hof terecht oordeelde dat hij handelde ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers, en of het bewijs voldeed om te concluderen dat hij zijn administratieplicht niet was nagekomen.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet nodig om de motivering nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen en het arrest van het hof blijft in stand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 6 januari 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.