Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 februari 2024. De verdachte, geboren in 1969, was als bestuurder van een reisbureau beschuldigd van faillissementsfraude en bedrieglijke bankbreuk. De klachten van de verdachte betroffen onder andere de vraag of hij in de bewezenverklaarde periode als bestuurder kon worden aangemerkt, en of hij heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers. De Hoge Raad heeft de cassatiemiddelen beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft geen verdere motivering gegeven, aangezien het niet nodig was om vragen te beantwoorden die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep is verworpen, en de uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren, met de waarnemend griffier aanwezig.