ECLI:NL:HR:2026:1115

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
24/04114
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SvArt. 329 SvArt. 330 SvArt. 107.1 WVW 1994Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens ontoereikende motivering belangenafweging aanhoudingsverzoek in strafzaak rijden zonder rijbewijs

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot twee weken hechtenis voor rijden zonder rijbewijs. In hoger beroep was de verdachte niet aanwezig, waarna zijn raadsvrouw namens hem een aanhoudingsverzoek indiende omdat zijn aanwezigheid van belang was voor het strafmaatverweer. Het hof wees dit verzoek af op grond van een belangenafweging waarbij het belang van een spoedige berechting en goede organisatie van de rechtspleging zwaarder woog dan het aanwezigheidsrecht van de verdachte.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden aannemelijk heeft geacht, maar bij de belangenafweging niet het belang heeft betrokken dat de verdachte zijn persoonlijke omstandigheden wil toelichten met het oog op de strafmaat. Ook heeft het hof niet de redenen voor eerdere aanhoudingen of het gewicht van de zaak betrokken in de afweging. Hierdoor is de motivering van het arrest ontoereikend.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe berechting en beslissing. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en volledige motivering bij afwijzing van aanhoudingsverzoeken, zeker wanneer het aanwezigheidsrecht van de verdachte op het spel staat.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontoereikende motivering van de belangenafweging bij afwijzing van het aanhoudingsverzoek en de zaak wordt terugverwezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04114
Datum30 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 1 november 2024, nummer 22-002512-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.J. Troost bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2
De verdachte is in eerste aanleg op 2 juni 2022 door de kantonrechter veroordeeld tot hechtenis van twee weken voor rijden zonder rijbewijs.
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2024 houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen. Het houdt verder in:
“De raadsvrouw deelt mede:
Ik zie mij genoodzaakt om een aanhoudingsverzoek te doen. Mijn cliënt is gisteren bij mij op kantoor geweest om de zaak met mij te bespreken en waarbij is afgesproken dat hij vandaag aanwezig zou zijn. Er was bij hem geen twijfel dat hij niet zou verschijnen. Het is een strafmaatappel dus zijn aanwezigheid is van belang. Ik verzoek u om de behandeling van de zaak aan te houden, nu mijn cliënt van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken.
(...)
De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen alle betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. De uitkomst van die belangenafweging is dat het verzoek van de raadsvrouw om de behandeling van de zaak aan te houden wordt afgewezen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de zaak reeds driemaal eerder op verzoek van de verdediging is aangehouden. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de verdachte van de zittingsdatum in hoger beroep op de hoogte is en dat hij gisteren nog de zaak met zijn raadsvrouw heeft besproken en dat hij daarna desondanks niet heeft doorgegeven dat en waarom hij vandaag niet aanwezig kan zijn.
Bij afweging van de genoemde belangen geeft het hof dan ook voorrang aan het belang van een doeltreffende en spoedige berechting van de zaak en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.”
2.4
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv Pro bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van artikel 329 en Pro 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt.Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of zijn raadsman worden gevergd dat hij (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende met bewijsstukken is onderbouwd en/of niet (voldoende) aan de door hem gevraagde aanvulling is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, voordat wordt beslist op het verzoek, gelegenheid moet worden geboden het verzoek nader toe te lichten en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. De rechter kan echter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd – als dat juist zou zijn – in de hierna weer te geven belangenafweging niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek al – dat wil zeggen: zonder tot die belangenafweging over te gaan – afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Als zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, moet de rechter een afweging maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden moeten worden betrokken, moet de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk geven in de motivering van zijn beslissing.
(Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).
2.5.1
De raadsvrouw van de verdachte heeft aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd dat (i) zij met de verdachte op de dag voor de terechtzitting de zaak heeft besproken en heeft afgesproken dat hij bij de terechtzitting aanwezig zou zijn, en (ii) dat zijn aanwezigheid van belang is omdat het om een strafmaatappel gaat. Het hof heeft het verzoek afgewezen omdat het belang van een doeltreffende en spoedige berechting van de zaak en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging zwaarder wegen dan het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof heeft bij die belangenafweging betrokken dat de zaak al driemaal eerder op verzoek van de verdediging is aangehouden en dat de verdachte op de hoogte is van de zittingsdatum en dat hij daarna niet heeft doorgegeven dat en waarom hij niet aanwezig kan zijn.
2.5.2
Het hof heeft de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden – die erop neerkomen dat de verdachte om een onbekende reden niet aanwezig is of kan zijn en dat zijn aanwezigheid van belang is met het oog op het te voeren strafmaatverweer – kennelijk aannemelijk gevonden, waarna het hof de afwijzing heeft gegrond op een belangenafweging. Het hof heeft bij die belangenafweging echter niet het door de raadsvrouw gestelde belang betrokken dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken om met het oog op het bepalen van de strafmaat zijn persoonlijke omstandigheden toe te lichten. Voor zover het hof in de belangenafweging het procesverloop heeft betrokken, is van belang dat het hof niet is ingegaan op de redenen voor de eerdere aanhoudingen terwijl het hof ook niet andere factoren, zoals het gewicht van de zaak, heeft betrokken. Het hof heeft daarom de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de afwijzing van het aanhoudingsverzoek, ontoereikend gemotiveerd.
2.6
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 juni 2026.