ECLI:NL:HR:2026:1118

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
24/04714
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312.2.2 SrArt. 317.3 SrArt. 342.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen diefstal met geweld en poging tot afpersing

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld en medeplegen van poging tot afpersing. In eerste aanleg was verdachte vrijgesproken. Het cassatieberoep richt zich op de motivering van de bewezenverklaring en de vraag of het bewijsminimum is gehaald.

Het hof baseerde zijn oordeel op meerdere bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen die een afspraak tussen aangever en verdachte bevestigen, historische verkeersgegevens van telefoonnummers, en letselverklaringen die meerdere steekverwondingen bij de aangever aantonen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het bewijs zorgvuldig heeft gewogen en dat er geen sprake is van schending van het bewijsminimum zoals bedoeld in art. 342 lid 2 Sv Pro.

Daarnaast werd betoogd dat het hof de verklaring van de aangever denatureerde door een andere betekenis aan zijn verklaring te geven dan bedoeld. De Hoge Raad stelt vast dat het hof de verklaring van de aangever begrijpelijk heeft geïnterpreteerd en dat er geen sprake is van denaturering. Het beroep in cassatie wordt daarom verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor medeplegen diefstal met geweld en poging tot afpersing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04714
Datum30 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 december 2024, nummer 23-001215-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring.
2.2
De bewijsvoering van het hof is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4.
2.3
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5 tot en met 2.11.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 juni 2026.