ECLI:NL:HR:2026:112

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
24/04079
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over noodweer en proportionaliteit bij poging tot doodslag na ruzie

In deze zaak gaat het om een poging tot doodslag waarbij de verdachte, na een ruzie met haar toenmalige vriend, hem met een mes in de hartstreek heeft gestoken. De Hoge Raad behandelt het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De feiten zijn als volgt: op 5 mei 2018 ontstond er een hevige ruzie tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij over en weer werd geslagen. De verdachte voelde zich bedreigd en pakte een mes om zich te verdedigen. Het hof oordeelde dat het steken met een mes in de hartstreek niet voldeed aan de proportionaliteitseis van noodweer, omdat de reactie van de verdachte niet in redelijke verhouding stond tot de aanranding. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit eerdere jurisprudentie over de proportionaliteitseis bij noodweer. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de door de verdediging aangevoerde feiten niet zijn meegewogen in de beoordeling van de proportionaliteit. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04079
Datum27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2024, nummer 22-005566-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. Het klaagt over het oordeel dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 05 mei 2018 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, in het bovenlichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 oktober 2024, inhoudende:
[slachtoffer] en ik kregen ruzie. Ik heb hem toen gevraagd of hij de woning wilde verlaten, maar dat wilde hij niet. Hij had de huissleutel en ik heb hem toen om de sleutel gevraagd. Ook die wilde hij niet afgeven aan mij. De verbale ruzie begon een vechtpartij te worden. Er werd gescholden en geslagen over en weer.
Ik ben vervolgens op een gegeven moment mijn woning weer in gegaan en [slachtoffer] is achter mij aangekomen. Hij heeft de voordeur op slot gedaan. Ik ben toen van mijn huiskamer naar de keuken gelopen. Hij liep achter mij aan. Ik zei toen dat hij mij met rust moest laten. Vervolgens ontstond er weer een gevecht in de keuken. Hij gaf mij geen ruimte. Hij bleef tussen mij en de keukendeur staan, zodat ik er niet langs kon. Hij had de keukendeur ook dicht gedaan, zodat ik niet naar buiten kon. De voordeur was nog steeds op slot. Ik heb toen de keukenla opengemaakt en een mes gepakt.
U vraagt mij of het mes op pagina 52 van het dossier het mes is dat ik heb gebruikt. Ja.
Ik hield het mes vast met mijn rechterhand. Ik had het mes onderhands vast. U vraagt mij of ik het mes toch niet bovenhands heb vastgehad. Nee, ik weet zeker dat ik het mes voor mij uit, onderhands, vast hield.
U vraagt mij hoe lang het slachtoffer is. Volgens mij is hij even lang als ik.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 8 mei 2018. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 10-12) :
V: Jij woont aan de [a-straat] te [plaats].
V: Kan jij ons vertellen wat er op de zaterdag 05 mei 2018 op zondag 06 mei 2018 is gebeurd?
A: Op zaterdag begon het tussen 22:30 uur en 23:00 uur. Ik liep mijn unit binnen en hoorde de buren op [1] ruzie maken. Het was boos geschreeuw. Ik hoorde dat er over en weer geslagen werd. Ik kon niet verstaan wat er werd gezegd. Er was veel gebonk tegen de deuren en muren en ik hoorde ook dat ze elkaar aan het slaan waren. Ik klopte aan. Het meisje had de deur geopend. Ze gingen gewoon door met schelden en stonden tegenover elkaar. (...) Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar met vuisten over en weer. (...) Ik heb toen de deur geopend en zag de jongen en het meisje in een soort van paniek achter elkaar aan rennen. Het meisje van [1] kwam mijn kant oplopen en keek mij met grote ogen aan. Ze zei letterlijk: "Meisje bel de ambulance want ik heb hem gestoken". Toen ze dat zei keek ik naar de jongen van [1] en zag dat hij zijn hand of handen op zijn buikstreek hield.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 29 mei 2018. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 13-14):
Het gaat om een incident op zaterdag 5 mei 2018 omstreeks 23:00 uur. Ik was die avond thuis. De deur van onze unit stond dus open. Ik woon op nummer [2]. Ik hoorde opeens een hoop herrie uit de unit met het nummer [1]. Deze unit is tegenover onze unit. Opeens ging de deur van de unit [1] open en zag ik dat er een jongen en een meisje uit de unit kwamen. Deze wonen daar ook. Ik hoorde de jongen tegen het meisje schreeuwen: "Je hebt mij gedood! Je hebt mij gedood!" Hij herhaalde dit meerdere malen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2018. Dit proces verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 26-27):
Wij, verbalisanten kregen de opdracht om naar het Erasmus MC te Rotterdam te gaan.
Hierop deelde ik de vrouw mede dat zij aangehouden was ter zake poging doodslag. Ik hoorde haar huilend antwoorden: “Ik weet het, ik heb spijt”, of woorden van gelijke strekking.
De arts nam mij mee naar een ruimte waar ik het slachtoffer vanaf de gang kon zien liggen. Ik hoorde de arts zeggen dat de man rond de hartstreek was gestoken en dat hij veel bloed had verloren. Ik vroeg of de man aanspreekbaar was, ik hoorde de arts zeggen dat de man geïntubeerd was en dat hij buiten bewustzijn werd gehouden. Ik zag dat de man op een plank lag en de CT-scan in ging. Ik zag dat het een getint persoon betrof. Er werd door een personeelslid vanuit het ziekenhuis gezegd dat hij mogelijk [slachtoffer] heette.
5. Een geschrift, te weten een klinische brief van het Erasmus MC d.d. 10 mei 2018, inhoudende:
Patiënt: [slachtoffer]
Bovengenoemde patiënt was opgenomen van 6 mei 2018 tot en met 10 mei 2018 voor het specialisme Traumachirurgie in verband met een steekwond thorax links.
Beloop: patiënt werd na plaatsing van een thoraxdrain links en intubatie op 6 mei 2018 opgenomen op de Intensive Care voor hemodynamische ondersteuning na een steekwond in de linker thorax. Patiënt kon op 10 mei 2018 naar huis.
6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 februari 2019. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 52-53):
Op zaterdag 2 februari 2019 werd het navolgende onderzoek uitgevoerd. Een foto met het mes en bevindingen waar het mes in de woning aangetroffen is en of er bloed op het mes zit.
Fotografische opname 1 en 2 geven weer hoe het mes werd aangetroffen, na het openen van de toegangsdeur tot de woning. Fotografische opname 4 geeft het mes weer en op het mes is te zien dat er een rode, kennelijk op bloed gelijkende substantie, op het mes aanwezig is.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt over het beroep op noodweer in:
“Mocht u toch tot een bewezen verklaring komen dan wordt uit het verhaal van [verdachte] wel duidelijk dat zij uiteindelijk tijdens de ruzie met [slachtoffer] geen kant op kon.
Het verhaal wordt op belangrijke punten door de verklaring van de getuige [getuige 1] d.d. 8 mei 2024 ondersteund. Zij hoorde buren ruzie maken in het Papiaments.
Zij hadden vaker ruzie, maar nu was het heftiger.
Nadat, na aanbellen de deur werd geopend door het meisje ging het schelden door.
Het meisje gaf een klap. Toen werd het een gevecht. Ze sloegen elkaar over en weer.
“het meisje riep naar mij dat ik 112 moest bellen. De jongen gooide toen de deur dicht”.
Er lijkt dan al sprake te zijn van de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, er is in elk geval voor [verdachte] een noodsituatie, zij roept niet voor niets 112 bellen.
[slachtoffer] gooit daarna de deur dicht. De getuige hoort dat het gevecht doorging en belde de politie. Het dichttrekken van de deur door [slachtoffer] voorkomt dat een uitweg voor [verdachte]. Zij vlucht naar de slaapkamer, [slachtoffer] volgt. Zij gaat naar de keuken en [slachtoffer] volgt. Volgens de getuige [getuige 1], die net de politie heeft gebeld, hoorde zij eerst dat het niet heftiger werd. “Toen zij had neergelegd werd het opeens heftiger”.
[verdachte] kan feitelijk geen kant op en wordt in haar eigen woning die zij niet kan verlaten aangevallen door de sterkere [slachtoffer]. Zij kon zich niet onttrekken.
Staand tegen het keukenblok gebruikt pakt zij een mes uit dit blok om [slachtoffer] van zich af te houden. Zij had in deze situatie geen andere optie. Feitelijk vastgezet in haar eigen woning was er geen andere optie meer. Zij moest zich wel verdedigen.
Het afdreigen met het mes was in de gegeven situatie ook een proportionele reactie.
Uit niets blijkt dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan een aanvallende actie.
[slachtoffer] probeert het mes af te pakken en in de worsteling wordt hij in de borst geraakt.
En dit alles gebeurde in de heftige en zeer emotionele situatie, direct veroorzaakt door de zeer heftige situatie.”
2.2.4
Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:
“Het hof gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
In de avond van 5 mei 2018 heeft een steekincident plaatsgevonden in de woning van de verdachte en haar toenmalige vriend, [slachtoffer], tevens het slachtoffer. Meerdere buren hebben gehoord dat de verdachte en het slachtoffer hevig ruzie maakten en tegen elkaar schreeuwden. Getuige [getuige 1] heeft gezien dat de verdachte en het slachtoffer elkaar daarbij over en weer met vuisten sloegen. (...)
Noodweer(exces)
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
Tussen de verdachte en het slachtoffer heeft voorafgaand aan het steekincident een ruzie plaatsgevonden, waarbij over en weer werd geslagen. Uit de afgelegde verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof af dat het slachtoffer de voordeur van de woning op slot had gedraaid. De verdachte is vervolgens naar boven gegaan, waarna het slachtoffer haar achtervolgde. De verdachte bleef roepen dat het slachtoffer haar met rust moest laten. Hij gaf hieraan geen gehoor. Integendeel, hij bleef haar achtervolgen en de ruzie en het gevecht tussen hen beide werd vervolgd in de keuken. Het slachtoffer heeft toen de keukendeur dicht gedaan en is tussen haar en de deur blijven staan, zodat de verdachte niet naar buiten kon. Het slachtoffer kwam op haar af. Vervolgens heeft de verdachte een mes gepakt en heeft zij – zoals hiervoor vastgesteld – met het mes op aangever ingestoken.
Naar het oordeel van het hof kunnen deze gedragingen van het slachtoffer, temeer nu zich kort daarvoor een vechtpartij tussen hem en de verdachte had voorgedaan, weliswaar ten minste worden gekwalificeerd als een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdediging geboden was, maar het door de verdachte gekozen verdedigingsmiddel voldoet niet aan het proportionaliteitsvereiste. Het met een mes steken in de hartstreek van het slachtoffer staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van de (dreigende) aanranding en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond.
Het beroep op noodweer zal dan ook worden verworpen.”
2.3
Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer of noodweerexces is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. Als de rechter het beroep verwerpt, moet hij duidelijk maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
De proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn als zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband geldende – tot terughoudendheid aanzettende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de manier waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen of een vuist. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.5.3.)
2.4.1
Het hof heeft vastgesteld dat (i) een ruzie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever, waarbij over en weer (met vuisten) werd geslagen, (ii) de aangever de voordeur van de woning van de verdachte en de aangever op slot heeft gedraaid, (iii) de aangever de verdachte door de woning heeft achtervolgd terwijl zij bleef roepen dat hij haar met rust moest laten, (iv) het gevecht tussen hen beiden werd vervolgd in de keuken, (v) de aangever de keukendeur dicht heeft gedaan en tussen de verdachte en de deur is blijven staan zodat de verdachte niet naar buiten kon, (vi) de aangever op de verdachte af is gekomen en (vii) de verdachte een mes heeft gepakt en de aangever heeft gestoken. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat het verdedigingsmiddel van de verdachte niet voldoet aan de proportionaliteitseis, omdat het met een mes steken in de hartstreek van de aangever niet in redelijke verhouding staat tot de (dreigende) aanranding.
2.4.2
Dat oordeel is, gelet op wat door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 9 oktober 2024 naar voren is gebracht en in het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld, niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij is van belang dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de juistheid van de door de verdediging op die terechtzitting gegeven feitenlezing, die erop neerkomt dat de verdachte, toen de aangever haar in de afgesloten keuken aanviel, een mes heeft gepakt om hem daarmee “af te dreigen”, dat de aangever daarop heeft geprobeerd het mes van haar af te pakken en dat hij bij die worsteling met het mes in de borst is geraakt.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 januari 2026.