Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
30 juni 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak was verdachte in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag door in 2020 in Nieuw-Amsterdam met kracht tegen het hoofd van een ander te schoppen en te slaan. Verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad. Echter, er zijn geen cassatiemiddelen ingediend namens verdachte binnen de voorgeschreven termijn. Volgens artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering leidt het niet indienen van cassatiemiddelen tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte daarom niet inhoudelijk behandeld en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door raadsheer C.N. Dalebout, in aanwezigheid van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting op 30 juni 2026.
De uitspraak bevestigt het belang van het tijdig en correct indienen van cassatiemiddelen om in cassatie te kunnen worden gehoord. De strafrechtelijke inhoudelijke beoordeling blijft daarmee in stand zoals vastgesteld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.