ECLI:NL:HR:2026:1130

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
24/00538
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 310 SrArt. 408 lid 1 sub a SvArt. 36h lid 3 SvArt. 36n lid 1 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij diefstalzaak

In deze strafzaak tegen verdachte wegens diefstal heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingesteld. Verdachte voerde aan dat de betekening van het hoger beroep gebrekkig was, waardoor de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn en hij ontvankelijk moest worden verklaard.

De Hoge Raad heeft de klachten van verdachte tegen de niet-ontvankelijkverklaring beoordeeld, maar deze konden niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte geen reden aanwezig om het oordeel van het hof ambtshalve te vernietigen en bevestigde dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard.

Hoewel de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed, leidde deze termijnoverschrijding niet tot vernietiging van het arrest. Het vonnis van de rechtbank is daarmee onherroepelijk geworden en het cassatieberoep is verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hoger beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00538
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 februari 2024, nummer 21-001298-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat E.M.A. Baetsen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.
3.2
De klachten tegen de niet-ontvankelijkverklaring door het hof van het door de verdachte ingestelde hoger beroep leiden niet tot cassatie. De Hoge Raad acht ook geen grond aanwezig waarop dat oordeel ambtshalve zou moeten worden vernietigd. Daarom moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het hof het namens de verdachte ingestelde hoger beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden. Bij deze stand van zaken kan de omstandigheid dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.