ECLI:NL:HR:2026:1134

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
24/03571
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68.1.c AWRArt. 69.2 AWRArt. 322 SrArt. 326.1 SrArt. 359.6 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in belastingfraudezaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan belastingfraude, verduistering en oplichting. De verdachte, een 69-jarige man, kreeg een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd. In cassatie werd onder meer betoogd dat de strafmaat onbegrijpelijk was gezien de medische situatie van de verdachte en dat de redelijke termijn was overschreden.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoud van het arrest niet tot vernietiging konden leiden en dat motivering daarvan niet nodig was. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een schending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro opleverde.

Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van 36 naar 35 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De strafmotivering bleef daarmee in stand, behoudens de aanpassing van de strafduur.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 36 naar 35 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03571
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 september 2024, nummer 22-000992-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 35 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.