Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor feitelijk leiding geven aan belastingfraude, verduistering en oplichting. De verdachte, een 69-jarige man, kreeg een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd. In cassatie werd onder meer betoogd dat de strafmaat onbegrijpelijk was gezien de medische situatie van de verdachte en dat de redelijke termijn was overschreden.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoud van het arrest niet tot vernietiging konden leiden en dat motivering daarvan niet nodig was. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een schending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro opleverde.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van 36 naar 35 maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De strafmotivering bleef daarmee in stand, behoudens de aanpassing van de strafduur.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 36 naar 35 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.