ECLI:NL:HR:2026:1135

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
24/04254
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.7 WVW 1994Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor rijden met ingevorderd rijbewijs ondanks overschrijding redelijke termijn

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het rijden terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. In cassatie stelde de verdachte meerdere klachten in, waaronder over het bewijs van de invordering en teruggave van het rijbewijs, en het ontbreken van bewustheid van de invordering.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over het bewijs en de grondslag van de invordering niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was deze inhoudelijk te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.

Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden. Gezien de lichte straf (een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een week en een taakstraf van 24 uur) verbond de Hoge Raad hieraan geen ander rechtsgevolg.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 7 juli 2026.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor rijden met ingevorderd rijbewijs ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04254
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024, nummer 23-001628-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsvrouw heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van een week en de opgelegde taakstraf van 24 uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.