Uitspraak
1.De procedure
2.Beoordeling van het wrakingsverzoek
Het verzoek is dus kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond. Om die redenen zal de Hoge Raad het verzoek zonder behandeling ter zitting afwijzen.
3.Beslissing
3 juli 2026.
Hoge Raad
Verzoeker heeft in een cassatieprocedure een wrakingsverzoek ingediend tegen de leden van de Hoge Raad die de zaak behandelen. Het verzoek is ingeschreven onder nummer 26/02131 en betreft een belastingzaak die eerder onder nummer 26/00420 werd behandeld.
De advocaat-generaal heeft afgezien van het nemen van een conclusie. Verzoeker heeft meerdere berichten gestuurd met wrakingsverzoeken, maar deze waren niet gemotiveerd met concrete feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechters zouden aantasten.
De Hoge Raad oordeelt dat het wrakingsverzoek niet voldoet aan de eisen van artikel 8:15 en Pro 8:16 Awb, omdat het niet is gericht tegen individuele rechters en geen feiten bevat die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen. Daarom wordt het verzoek zonder behandeling ter zitting afgewezen.
De beslissing is genomen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking wordt afgewezen wegens gebrek aan gemotiveerd en gericht wrakingsverzoek.