Uitspraak
1.De procedure
2.Beoordeling van het wrakingsverzoek
Het verzoek is dus kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond. Om die redenen zal de Hoge Raad het verzoek zonder behandeling ter zitting afwijzen.
3.Beslissing
3 juli 2026.
Hoge Raad
Verzoeker heeft in een cassatieprocedure een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die de zaak behandelen. Het verzoek betrof een belastingzaak waarin verzoeker een pre-judicieel vraagstuk wilde voorleggen over de vrijstelling van inkomstenbelasting voor slachtoffers van letselschade.
De Hoge Raad beoordeelde het wrakingsverzoek aan de hand van de Awb en concludeerde dat het verzoek niet was gericht tegen individuele rechters en geen concrete feiten of omstandigheden bevatte waaruit een schending van rechterlijke onpartijdigheid kon worden afgeleid. Ook ontbrak een gemotiveerde onderbouwing.
Daarom werd het verzoek als kennelijk niet-ontvankelijk en kennelijk ongegrond beoordeeld en zonder behandeling ter zitting afgewezen. De beslissing werd genomen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot wraking af wegens gebrek aan gemotiveerde onderbouwing en niet-richting op individuele rechters.