ECLI:NL:HR:2026:1138
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vergoeding immateriële schade wegens niet-overschrijding redelijke termijn hoger beroep
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een aanslag inkomstenbelasting en belastingrente over 2015. De rechtbank had eerder een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. In hoger beroep verzocht belanghebbende om een vergoeding voor immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure.
Het Hof heeft dit verzoek niet behandeld in zijn uitspraak. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof dit naliet, maar dat dit niet tot vernietiging kan leiden omdat de redelijke termijn van twee jaar voor de hogerberoepsfase niet is overschreden. De behandeling van het hoger beroep begon op 10 augustus 2022 en eindigde op 3 juli 2024.
Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade in de cassatieprocedure wordt afgewezen, omdat de redelijke termijn van twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep op 14 augustus 2024 tot het arrest op 3 juli 2026 niet is overschreden. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard omdat de redelijke termijn niet is overschreden en geen vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend.