ECLI:NL:HR:2026:1146

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/00098
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 10a.1.3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 3a vijfde lid OpiumwetArt. 132a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid integrale controle en vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de aanwezigheid van XTC-pillen, MDMA en GHB en voorbereidingshandelingen voor productie van MDMA. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld.

De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van het binnentreden door een ambtenaar van Bouwtoezicht tijdens een integrale controle, waarbij politie en andere instanties betrokken waren. De verdediging stelde dat sprake was van onrechtmatig overheidsoptreden en bewijsuitsluiting moest volgen omdat bestuursrechtelijke bevoegdheden werden misbruikt voor strafvorderlijke doeleinden.

Het hof oordeelde dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten rechtmatig was, omdat de controle gericht was op naleving bestemmingsplan en bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatiemiddel af. Wel wordt de opgelegde gevangenisstraf verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van de integrale controle en vermindert de gevangenisstraf tot negen maanden en drie weken wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/00098
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 december 2023, nummer 21-002261-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de verwerping door het hof van een verweer dat ertoe strekt dat bewijsuitsluiting moet plaatsvinden, omdat de politie onrechtmatig is binnengetreden doordat misbruik is gemaakt van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden. Het keert zich daarbij tegen het oordeel van het hof dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten, waarvan de resultaten zijn gebruikt voor het strafrechtelijke onderzoek, rechtmatig was.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 18 januari 2022 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 371 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA,
- ongeveer 20 liter MDMA-olie, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en
- ongeveer 25 milliliter 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB), zijnde 4-hydroxyboterzuur (gamma-hydroxy-boterzuur, GHB),
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in de periode van 1 november 2021 tot en met 18 januari 2022 te [plaats] om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van MDMA en/of één of meer andere soort(en) harddrugs, in elk geval een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- voorwerpen, stoffen, voorhanden heeft gehad, te weten:
- Een drukreactieketel gevuld met MDMA-olie,
- twee waterstofcilinders,
- één of meerdere gascilinder beschermkappen,
- één of meerdere waterstofdrukregelaars,
- twee RVS ketels met koelbuis
- een zak BMK glycidezout,
- een tabletteermachine met stempelset met logo van ‘ […] ’,
- een centrifuge,
- twee rode gascilinders,
- twee drukregelaars,
- een 25 liter jerrycan gevuld met 12 liter monomethylamine,
- 3 blauwe 20 liter jerrycans gevuld met zwavelzuur (totaal 60 liter),
- 4 blauwe jerrycans van 25 liter gevuld met fosforzuur (totaal 80 liter)
- 16 blauwe jerrycans gevuld met zoutzuur (totaal 320 liter),
- 7 blauwe jerrycans gevuld met methanol (totaal 140 liter),
- 50 blauwe jerrycans gevuld met ethanol (totaal 1000 liter),
- 2 witte jerrycans met restanten PMK,
- twee laboratorium glaswerk distillatiebochten,
- diverse zwenkwielen,
- metalen pijpen en koppelstukken,
- een RVS schakelkast,
- een gasdrukregelaar voor propaangas,
- twee metalen branderbakken met een gasbrander met gasslang en een glazen rondbodemkolf,
- 2 flessen chloor (totaal 10 liter),
- een jerrycan met Coleman Fuel (totaal 5 liter),
- een fles met zoutzuur (totaal 5 liter),
- een (vervuilde) vacuümpomp,
- 20 kilo Caustic Soda,
- 2 blauwe jerrycans met aceton (totaal 40 liter),
- een (vacuüm)distillatie-opstelling bestaande uit twee RVS ketels en een koelbuis,
- 15 kilo cellulose en/of,
- een ventilatie slakkenhuis gekoppeld aan een koolstoffilter,
waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit.”
2.2.2
Het hof heeft het in het cassatiemiddel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

De feiten
A.
Op dinsdag 18 januari 2022 werd een zogeheten “integrale controle” gehouden op meerdere adressen aan de [a-straat] te [plaats] . Bij de controle waren een ambtenaar van Bouwtoezicht van de gemeente [plaats] , een medewerker van energiebedrijf Liander, de Ondermijningscoördinator van de gemeente [plaats] en meerdere politiemedewerkers betrokken.
Van de gemeente heeft de politie het verzoek gekregen aan te sluiten bij deze integrale controle. Aanleiding waren bij de gemeente binnengekomen “ondermijnende signalen” in genoemde straat.
De medewerker van Liander was betrokken voor het geval men tegen een hennepkwekerij of andere vormen van stroomdiefstal aan zouden lopen. De politie was betrokken voor de veiligheid van de ambtenaar van Bouwtoezicht en de politie zou een casus overnemen als er strafbare feiten werden waargenomen. In totaal werden 8 adressen bezocht.
Bij het eerste adres was sprake van illegale bewoning. Dat heeft de ambtenaar van Bouwtoezicht afgehandeld. Bij het derde adres werden aangetroffen henneptoppen en hennepresten, een in werking zijnde hennepkwekerij met 4 planten, een ontmantelde hennepkwekerij en drie op vuurwapens gelijkende wapens. Daarna werden nog ongeveer 4 á 5 adressen bezocht. Hier was niets aan de hand.
Als laatste werd het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] bezocht, te weten het pand dat bij verdachte in gebruik was. De ambtenaar van Bouwtoezicht belde aan bij de voordeur. Er werd niet op gereageerd. Er stonden twee personenauto’s op het terrein naast de woning. In de woning brandde licht. Waargenomen werd dat er aan de rechterzijde van de woning een nieuwe metalen trap was geplaatst die naar een kelder moest leiden. De ramen van de kelder waren geblindeerd met platen en glaswol. In de achtertuin werd een groot aantal kratten met lege Colaflessen tegen de achtergevel gezien. Daarnaast waren er ongeveer 20 kratten bier van het merk Hertog Jan. Aan de achterzijde van de woning, grenzend aan de achtertuin bevond zich een grote loods. Aan de voorzijde van die loods stond een klein voorgebouw wat de uitstraling had van een kantoortje. De ambtenaar van Bouwtoezicht heeft aangeklopt en roepend gevraagd of er iemand aanwezig was. Ook hierop kwam geen reactie. Vervolgens liep men terug naar de achterzijde van de woning.
De ambtenaar van Bouwtoezicht liep de achtertuin in en liep naar de rechterzijde van het kantoortje. De ambtenaar van Bouwtoezicht trok aan de deurklink, de deur ging open en de ambtenaar zei: "Hé, deze deur is open.”
Vervolgens liep de ambtenaar van Bouwtoezicht door de deur het kantoortje binnen. De medewerker van Liander liep achter de ambtenaar aan naar binnen, gevolgd door politiefunctionaris [betrokkene 1] .
De medewerker van Liander zei dat er allemaal vaten binnen stonden. Een verbalisant [opmerking hof: dit betreft een verbalisant die na [betrokkene 1] naar binnen ging] is er naar toe gelopen en hij zag dat de ruimte een soort van schuur betrof welke zich in dezelfde ruimte bevond als het eerder genoemde kantoortje. Er stonden tientallen blauwe vaten van 20 liter met als inhoud ethanol, aceton in het schuurtje. Een collega-verbalisant heeft hierop contact gezocht met Landelijke Faciliteit Ontmantelen. Gezien het bovenstaande rees het vermoeden dat er zich in de kelder een drugslab kon bevinden. Vervolgens is er met de officier van justitie, contact geweest en deze gaf toestemming om de woning te betreden. Vlak daarna kwam verdachte toevallig aanrijden. Verdachte heeft de huissleutels gegeven en hierop werd de woning binnengetreden. In de kelder trof men pillen en poeder aan.
B.
Het rapport van de toezichthouder van de gemeente [plaats] vermeldt onder meer als volgt:
“Aangekomen bij [a-straat 1] (woonhuis) en [a-straat 2] (bedrijfsgedeelte). Op basis van mijn bevoegdheid zoals vastgelegd in de Algemene Wet Bestuursrecht artikel 5:15 - 5:19 het terrein opgelopen. Ter beveiliging zijn op de woning [a-straat 1] en op het bedrijfsgebouw nr [a-straat 2] diverse bolcamera's aangebracht. Op het voorterrein van [a-straat 2] staan 2 auto's. Een jaguar ( [kenteken 1] ) en een Ford Ka ( [kenteken 2] ) waarvan de autosleutels nog in het slot zitten. Samen met ondersteuning van de politie heb ik de volgende acties genomen:
Aangebeld en geklopt op de entreedeur bij het bedrijfsgebouw [a-straat 2] : hier volgde geen reactie. Omdat het hek open staat vanaf het voorterrein van het bedrijfspand richting de bedrijfswoning loop ik naar de voordeur van de bedrijfswoning en bel enkele keren aan en klop op de voordeur. Ook hier is geen reactie. Aan de westzijde van de woning is zichtbaar dat hier recent een buitentrap is gemaakt. Gezien de afwerking van de trap, de tuin en het kozijn dat in de gevel bij de kelder is gezaagd zijn ze hier nog niet klaar. Via kieren tussen de deur en het kozijn en de koekoeken is licht zichtbaar. In combinatie met de sleutels in de auto lijkt het dat er iemand aanwezig zou kunnen zijn. Om het huis heengelopen en aan de achterzijde naar binnengekeken hier was niks te zien anders dan een paar schoenen waar iemand uit was gestapt om het binnen schoon te houden. Vanaf het terras zie ik dat het bedrijfspand nr [a-straat 2] een zijdeur heeft met hier een bolcamera erboven en loop naar de deur. Ik klop een paar keer op de deur maar krijg geen reactie. Ik probeer of de deur open is en deze blijkt open te zijn. Ik zet de deur op een kier en roep of er iemand aanwezig is. Ook hierop volgt geen reactie. Op basis van mijn bevoegdheden om elk pand anders dan een woning te mogen betreden loop ik onder het roepen of dat er iemand aanwezig is naar binnen. En ik zie 2 ruimten. In de eerste ruimte staan grote blauwe (lege) tonnen, voorts zijn korven met installatiemateriaal zichtbaar en een RVS ketel. In de 2e ruimte is een ruimte getimmerd van houten wanden aan de voorzijde van het gebouw hieraan is niks te zien. In de ruimte staan meerdere blauwe kunststof jerrycans met hierop vermeld ethanol, acidity regulator E37 en 2 rvs ketels. Na een informatief belletje van de politie met een specialist wordt aangegeven dat we zo snel mogelijk de ruimte moeten verlaten omdat dit gevaarlijke stoffen zijn. Verder neemt de politie de vervolgactie om het terrein te verzekeren en de LOD te informeren. Deze geeft aan zo spoedig mogelijk ter plaatse te zijn.
Toegekende bevoegdheden als handhaver van de gemeente [plaats] / […]
Artikel 5:15
1 Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
2 Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.
3 Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.
Artikel 5:16
Een toezichthouder is bevoegd inlichtingen te vorderen.
[...]”
C.
Proces-verbaal van bevindingen / controlerapportage
“Ik, toezichthouder […] , van de werkorganisatie [plaats] , als bedoeld in artikel 5:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het gebied van: Bouw- en woonrecht, BAG, Wet BRP, natuur en milieuwetgeving, monumentenrecht, ruimtelijk ordeningsrecht, Huisvesting- en leegstandsrecht en omgevingsrecht en alle daaraan gerelateerde wet- en regelgeving, aangewezen als toezichthouder door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] verklaar het volgende:
[…] staat voor […] . Binnen het […] werken de gemeenten [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en [plaats] samen met ketenpartners zijnde de omgevingsdienst, energiemaatschappijen en politie. Deze samenwerking is gericht op het daadkrachtig, effectief en integraal aanpakken van ondermijning. Door het […] worden structureel en integraal (bedrijfs-)controles georganiseerd en uitgevoerd. Als toezichthouder neem ik deel aan deze controles.
Bedrijfscontrole [a-straat]
Op dinsdag 18 januari 2022, nam ik, toezichthouder […] , deel aan een integrale bedrijfscontrole aan de [a-straat] te [plaats] . In deze straat zijn meerdere panden gecontroleerd op het formeel gebruik van percelen en panden overeenkomstig het bestemmingsplan zoals opgesteld door de gemeente [plaats] .
[...]”
(...)
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het vonnis van de rechtbank juist is, en dat het hof op dezelfde wijze zou moeten beslissen. Er is volgens de verdediging zowel sprake van onrechtmatig overheidsoptreden door de gemeente als van onrechtmatig binnentreden door de politie. Er was van meet af aan sprake van strafrechtelijk optreden omdat men wel wist dat er waarschijnlijk strafbare feiten zouden worden geconstateerd, maar de politie kon nog niet binnentreden. Men heeft bestuurlijk/bestuursrechtelijk optreden gebruikt voor strafrechtelijke doelen, en daarmee zijn - de burger beschermende - strafvorderlijke voorschriften omzeild. Dit heeft volgens de verdediging een structureel karakter. Deze wijze van optreden is bepalend geweest voor het verdere strafrechtelijke onderzoek. Om dit misbruik in de toekomst te voorkomen dient de sanctie daarop bewijsuitsluiting te zijn als rechtstatelijke waarborg, zoals de rechtbank terecht heeft gedaan. Omdat alle resultaten van het onderzoek in het bedrijfspand en de woning tevens zijn aan te merken als onrechtmatig verkregen en de verboden vruchten daarvan, dienen zij ook om die reden te worden uitgesloten van het bewijs. Het hof dient verdachte dan ook vrij te spreken.
(...)
Overwegingen van het hof over de rechtmatigheid van het binnentreden
Het hof overweegt dat uit het door de advocaat-generaal genoemde arrest van de Hoge Raad (zie voetnoot 8) blijkt dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ligt, onder meer omdat van een opsporingsonderzoek nog geen sprake was. Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 september 2023 blijkt voorts dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling door andere personen dan opsporingsambtenaren. Daarvoor is vereist dat (i) de resultaten van een onrechtmatige handeling zijn gebruikt bij het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van een verdachte voor ten laste gelegde feiten en (ii) de resultaten door dit gebruik van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of van de vervolging. Als daarvan sprake is, is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het gebruik van de resultaten van een onrechtmatige handeling en, zo ja, welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van de inbreuk die dit gebruik maakt op de rechten van de verdachte. Bij het bepalen van een rechtsgevolg kan aansluiting worden gezocht bij de in art. 359a tweede lid Sv genoemde factoren, terwijl ook het uitgangspunt van subsidiariteit in acht moet worden genomen. De rechter kan tot het oordeel komen dat de onrechtmatige handeling door de andere persoon dan de opsporingsambtenaar, die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging, dwingt tot bewijsuitsluiting. Dat is allereerst aan de orde als bewijsuitsluiting noodzakelijk is om de schending van het in art. 6 EVRM Pro bedoelde recht op eerlijk proces te voorkomen. Daarnaast kan bewijsuitsluiting in aanmerking komen als de opsporingsambtenaar direct of indirect betrokken is bij de onrechtmatige handeling door een andere persoon en het gebruik van de resultaten, mede gelet op wijze waarop die zijn verkregen, een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel zou opleveren. Van een zodanige betrokkenheid van een opsporingsambtenaar kan sprake zijn als deze het gedrag van de betreffende persoon heeft geïnitieerd of gefaciliteerd, daaronder mede begrepen dat de opsporingsambtenaar het onrechtmatige gedrag van die persoon welbewust heeft laten begaan en/of voortduren.
Anders dan de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten rechtmatig was. De toezichthouder heeft zijn bevoegdheden ingezet op de gronden, bevoegdheden en aanleiding zoals door deze zijn omschreven onder de feiten, het onder C. bedoelde proces-verbaal. Het hof ziet geen aanwijzing dat deze weergave niet klopt of dat er heimelijk ongeoorloofde bijbedoelingen waren. Het is een legitiem belang van de gemeente dat bedrijfs- en andere panden overeenkomstig het bestemmingsplan worden gebruikt. Dat de ervaring leert dat er een gerede kans bestaat dat er bij controles van bedrijfspanden regelmatig ook strafbare feiten worden geconstateerd, in het bijzonder de aanwezigheid van hennepkwekerijen met illegale stroomaftap, doet daaraan niet af. De bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties is immers evengoed een legitiem belang van de gemeente. Het samenwerken daarin met onder andere de politie acht het hof eveneens legitiem, onder meer omdat artikel 5:15 Awb Pro daarin uitdrukkelijk voorziet, mits evenredig.
Er was in dit geval ook geen reden om aan te nemen dat er specifiek jegens verdachte van meet af aan al sprake was van de verdenking van een strafbaar feit ten aanzien van het gebruik van de bedrijfsruimte en woning en dat er aldus reeds sprake was een opsporingsonderzoek jegens verdachte.”
2.3
De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:
- artikel 132a van het Wetboek van Strafvordering:
“Onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.”
- artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb):
“De hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet zijn niet van toepassing op:
a. de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.”
- artikel 5:11 Awb Pro:
“Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.”
- artikel 5:13 Awb Pro:
“Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.”
- artikel 5:15 Awb Pro:
“1. Een toezichthouder is bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner.
2. Zo nodig verschaft hij zich toegang met behulp van de sterke arm.
3. Hij is bevoegd zich te doen vergezellen door personen die daartoe door hem zijn aangewezen.”
2.4
Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. Op acht adressen aan de [a-straat] in [plaats] is, naar aanleiding van bij de gemeente binnengekomen “ondermijnende signalen” in deze straat, een zogenoemde “integrale controle” uitgevoerd. Een van de gecontroleerde panden betrof een grote loods met aan de voorzijde een klein kantoortje gelegen in de achtertuin van de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] . Daarbij is de ambtenaar van Bouwtoezicht het kantoortje binnengegaan, gevolgd door een medewerker van Liander en een politieambtenaar. Na dit binnengaan is geconstateerd dat daar grote blauwe tonnen, korven met installatiemateriaal en een RVS ketel stonden. In dezelfde ruimte waarin zich het kantoortje bevond, was een soort schuur getimmerd. Daarin stonden tientallen blauwe 20 liter vaten met daarop vermeld ethanol en aceton en ook regulator E37, en twee RVS ketels.
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat het optreden van de gemeentelijke autoriteiten, waaronder het binnentreden door de ambtenaar van Bouwtoezicht van het onder 2.4 aangeduide kantoortje, rechtmatig was. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de controle van het pand was gericht op het gebruik daarvan overeenkomstig het bestemmingsplan en ook verband hield met de bestrijding van illegale en brandgevaarlijke situaties. Dit oordeel, waarin besloten ligt dat deze bestuurlijke bevoegdheidsuitoefening in de concrete omstandigheden van het geval niet in strijd met artikel 1:6 Awb Pro heeft plaatsgevonden, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de controle heeft plaatsgevonden in het kader van een “integrale controle”, waarbij door verschillende overheidsdiensten met (onder meer) de politie is samengewerkt.
2.6
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van tien maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negen maanden en drie weken, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.