Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
3 juli 2026.
Hoge Raad
In deze zaak staat centraal de verificatie van vorderingen in het faillissement van Triskalion B.V. Zowel eiseres als Cumberland hebben vorderingen ingediend en betwisten elkaars aanspraken. De procedure betreft een renvooiprocedure over de vorderingen van Cumberland, terwijl een parallelle procedure over de vorderingen van eiseres eveneens aanhangig is.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin de feiten en eerdere beslissingen zijn vastgelegd. In het principale cassatieberoep stelt eiseres zich op het standpunt dat haar vorderingen erkend moeten worden, maar de Hoge Raad wijst dit beroep af. Dit volgt mede uit het feit dat in een gelijktijdig arrest (zaak 25/01510) is vastgesteld dat eiseres geen schuldeiser is in het faillissement.
Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van Cumberland behoeft geen behandeling omdat het principale beroep is verworpen. De Hoge Raad veroordeelt eiseres tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Cumberland. Hiermee is de procedure definitief afgesloten met een bevestiging van de eerdere uitspraken dat eiseres geen aanspraak kan maken op de faillissementsvorderingen.
De uitspraak benadrukt het belang van nauwkeurige beschrijving van het vermogen bij overgang van rechtsverhoudingen door afsplitsing en de toepassing van faillissementsrechtelijke regels omtrent cessie en verificatie van vorderingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van eiseres en bevestigt dat zij geen schuldeiser is in het faillissement van Triskalion B.V.