ECLI:NL:HR:2026:1151

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/04678
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 lid 2 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring medeplegen diefstal met geweld en vermindert straf wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd vrijgesproken in eerste aanleg maar in hoger beroep werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld. De Hoge Raad beoordeelde de motivering van het hof met betrekking tot de bewezenverklaring en oordeelde dat het hof de proces-verbaal van bevindingen terecht als betrouwbaar en redengevend heeft beschouwd. De verdediging had betoogd dat het hof onvoldoende had gemotiveerd en dat er sprake was van onduidelijkheden in de bewijsvoering, maar deze klachten werden verworpen.

Daarnaast klaagde de verdachte over een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond en besloot daarom de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden te verminderen tot 23 maanden. De rest van het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de bewezenverklaring en het oordeel van het hof in stand bleven.

De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige motivering door de feitenrechter en benadrukt de toetsing van de redelijke termijn in strafzaken. De strafvermindering weerspiegelt de ernst van de termijnoverschrijding zonder de inhoudelijke bewezenverklaring aan te tasten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring medeplegen diefstal met geweld en vermindert de gevangenisstraf tot 23 maanden wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/04678
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 december 2024, nummer 23-000042-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring onder 1.
2.2
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4, 5 en 7. De bewezenverklaring steunt verder op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest van het hof.
2.3
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 17.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 23 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.