Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheiddoor de gedragingen van verdachte is veroorzaakt.
bij levenheeft plaatsgevonden en dat de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid.
Als niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de bewezenverklaarde gedragingen in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg is voor het redelijkerwijs toerekenen van dit gevolg aan (gedragingen van) de verdachte ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat die gedragingen een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat dit gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedragingen is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van zo’n aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden die gedragingen naar hun aard geschikt zijn om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels zodanig zijn dat zij het vermoeden rechtvaardigen dat deze hebben geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat als verweer naar voren gebrachte andere, niet aan de bewezenverklaarde gedragingen gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid. (Vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362.)
3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
7 juli 2026.