ECLI:NL:HR:2026:1154

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
25/00952
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toerekening doodslag ondanks GHB-intoxicatie slachtoffer

In deze zaak staat de toerekening van de dood van het slachtoffer aan de verdachte centraal. Het slachtoffer overleed na het toepassen van geweld op haar hoofd en hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was met GHB. De rechtbank sprak verdachte vrij, maar het hof verklaarde hem schuldig aan doodslag. De Hoge Raad toetst in cassatie of het hof het causaal verband en de toerekening van het gevolg aan verdachte terecht heeft vastgesteld.

Het hof baseerde zich op deskundigenverklaringen die stelden dat het slachtoffer waarschijnlijk is overleden door samendrukkend toesnoerend geweld op de hals, dat dit geweld bij leven heeft plaatsgevonden en dat de GHB-intoxicatie niet de directe doodsoorzaak was. Het hof oordeelde dat het geweld een onmisbare schakel vormde in de gebeurtenissen die tot de dood leidden en dat de dood met aanzienlijke waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat het oordeel toereikend is gemotiveerd. Ook het verwerpen van het verweer dat de GHB-intoxicatie de doodsoorzaak zou zijn, is juist. De Hoge Raad wijst op het feit dat het aan de feitenrechter is om de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal te beoordelen en dat het oordeel niet wordt aangetast door mogelijke alternatieve interpretaties van deskundigenverklaringen.

De overige cassatiemiddelen, waaronder de klacht over het opzet en het alternatief scenario, leiden niet tot cassatie. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor doodslag en wijst het cassatieberoep af.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/00952
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2025, nummer 21-003130-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de dood van [slachtoffer] aan de verdachte kan worden toegerekend.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en de hals van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsvoering die is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2 en 3.3, waaronder in het bijzonder:

Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Het tijdstip van overlijden
Het hof stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer op donderdag 9 april 2020 tussen 12.43 uur (het moment dat zij haar telefoon uitschakelde) en 20.04 uur (het moment dat verdachte zijn ouders belde) is overleden. Daarbij merkt het hof op dat het op basis van de gemeten lichaamstemperatuur van het overleden slachtoffer (27.3 °C op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur) aannemelijker is dat zij in de tijdsperiode kort na 12.43 uur is overleden dan dat zij in de tijdsperiode kort voor 20.04 uur is overleden.
De oorza(a)k(en) van het overlijden
Uit de bevindingen van de deskundigen volgt dat de dood van het slachtoffer vanuit medisch oogpunt zowel verklaard kan worden op traumatische als op toxicologische gronden.
Hiervoor is al aangehaald dat uit het rapport van toxicoloog [deskundige 3] blijkt dat de gemeten GHB-concentratie (530 mg/l) een concentratie is die beter past bij personen die zijn overleden aan een overdosis dan bij personen die aan dezelfde GHB-concentratie niet zijn overleden. [deskundige 3] heeft geconcludeerd dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking daarvan op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel.
Daarnaast is door patholoog [deskundige 1] gerapporteerd dat het intreden van de dood van het slachtoffer ook verklaard kan worden door uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging), het samendrukken van de mond en neus (smoren) of mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg). Volgens deskundige [deskundige 4] is samendrukkend of toesnoerend geweld op de hals de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen zoals die bij het slachtoffer zijn vastgesteld. De uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat zijn bijkomende argumenten voor de stelling dat de dood van het slachtoffer in deze zaak is veroorzaakt door dergelijk samendrukkend of toesnoerend geweld.
Patholoog [deskundige 1] heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat de beide voornoemde doodsoorzaken niet los van elkaar gezien en beoordeeld moeten worden. De oorzaken moeten volgens haar tezamen worden beoordeeld, in die zin dat sprake is geweest van geweldpleging bij een zwaar geïntoxiceerd persoon.
Het hof neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundigen over.
Op grond daarvan stelt het hof vervolgens vast dat zich bij het slachtoffer een samendrukkende en/of toesnoerende krachtsinwerking op de hals heeft voorgedaan, terwijl zij ernstig geïntoxiceerd was met GHB en alcohol. Daarbij stelt het hof op basis van de bevindingen en verklaringen van de deskundigen vast, dat de krachtsinwerking dus bij leven heeft plaatsgevonden; er is sprake van vitaal letsel, en dat de GHB op dat moment nog niet tot haar dood kan hebben geleid.
Nu er naast verdachte en het slachtoffer geen derden in de woning zijn geweest op de dag dat het slachtoffer overleed en daarnaast door de deskundigen is verklaard dat een scenario waarbij het slachtoffer zichzelf het geconstateerde letsel aan de hals heeft toegebracht, niet aannemelijk is, moet naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat verdachte degene is die het geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast.
Causaal verband
Om tot een bewezenverklaring van moord dan wel doodslag te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde geweld en het overlijden van het slachtoffer. Of er sprake is van een causaal verband wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of het gevolg (de dood) redelijkerwijs als het gevolg van het handelen van verdachte (het geweld) aan verdachte kan worden toegerekend.
Het hof heeft hiervoor overwogen dat het intreden van de dood van het slachtoffer volgens deskundigen zowel het gevolg kan zijn geweest van - kort gezegd - de effecten van een overdosis GHB als van het door verdachte gepleegde geweld op de hals (verwurging).
Nu in dit geval niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte (het toegepaste geweld) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg (de dood), is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachte ten minste vereist dat:
1) wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, en;
2) dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte.
Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar zijn aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat die gedraging het vermoeden wettigt dat die heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BT6362 en ECLI:NL:HR:2017:585).
Het hof overweegt in dit verband als volgt.
Door patholoog [deskundige 1] is vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake was van inwendige bloeduitstortingen in de schuine halsspieren aan beide zijden, reikend tot aan beide sleutelbeenderen, en van bij leven ontwikkelde tekenen van stuwing. Deze letsels (of bevindingen) zijn volgens de patholoog ontstaan ten gevolge van mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Zulk geweld leidt tot zuurstofgebrek in de hersenen. Door zuurstoftekort kan de hersenfunctie uitvallen die de andere organen (zoals de longen en het hart) aanstuurt, waardoor een slachtoffer komt te overlijden.
De patholoog heeft vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals ook in het onderhavige geval een doodsoorzaak kan zijn geweest.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid.
Het hof dient vervolgens te beoordelen of aannemelijk is dat de dood van het slachtoffer
met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheiddoor de gedragingen van verdachte is veroorzaakt.
Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.
Het hof stelt voorop dat het toegepaste geweld, het met substantiële kracht en gedurende enige tijd dichtknijpen of samendrukken van de hals, naar zijn aard geschikt is om het intreden van de dood teweeg te brengen. Dit volgt uit de bevindingen van de deskundigen en staat in deze zaak overigens ook niet ter discussie.
De deskundige [deskundige 3] heeft geconcludeerd dat de gemeten GHB-concentratie het overlijden kan verklaren indien al het andere is uitgesloten.
Hij heeft verder verklaard dat als in dit geval een andere, meer waarschijnlijke, doodsoorzaak wordt vastgesteld, dit voor zijn bevindingen gaat.
Het hof overweegt in dit verband dat deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] tijdens de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk (waarmee door [deskundige 4] de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt bedoeld) is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was. Bovendien heeft [deskundige 1] verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie, dat de samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op de hals
bij levenheeft plaatsgevonden en dat de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid.
Het hof acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt.
Gelet op het feit dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid, en nu aannemelijk is dat de dood met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt, is het hof van oordeel dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend.”
2.2.3
De verklaringen van de deskundigen op de terechtzitting in eerste aanleg van 14 januari 2022 en in hoger beroep van 6 februari 2025 die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.7 en 4.8.
2.3
De vraag of causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaarde door de verdachte verrichte gedragingen – te weten het door hem uitoefenen van geweld – en de dood van het slachtoffer, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan de verdachte kan worden toegerekend.
Als niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de bewezenverklaarde gedragingen in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg is voor het redelijkerwijs toerekenen van dit gevolg aan (gedragingen van) de verdachte ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat die gedragingen een onmisbare schakel kunnen hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat dit gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door die gedragingen is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van zo’n aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden die gedragingen naar hun aard geschikt zijn om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels zodanig zijn dat zij het vermoeden rechtvaardigen dat deze hebben geleid tot het intreden van het gevolg. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat als verweer naar voren gebrachte andere, niet aan de bewezenverklaarde gedragingen gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid. (Vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362.)
2.4.1
Het hof heeft onder meer overwogen dat onder anderen de deskundige [deskundige 1] heeft verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was, waarbij [deskundige 1] verder heeft verklaard (i) dat het slachtoffer ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie, (ii) dat de samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op de hals bij leven heeft plaatsgevonden en (iii) dat de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid. Het hof heeft het daarom aannemelijk geacht dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door de verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt en dat dit geweld daarmee kan worden aangemerkt als een onmisbare schakel in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid.
2.4.2
Op grond hiervan heeft het hof geoordeeld dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend. In dat oordeel ligt besloten dat, ook als de ten tijde van de bewezenverklaarde gewelduitoefening aanwezige GHB-intoxicatie van het slachtoffer heeft bijgedragen aan het intreden van de dood, die omstandigheid niet meebrengt dat de dood van het slachtoffer na het uiteindelijk door de verdachte gepleegde geweld niet meer in redelijkheid aan de verdachte zou kunnen worden toegerekend. In het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Daarbij is mede van belang dat het aan de rechter is die over de feiten oordeelt om te beslissen wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Tegen die achtergrond doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat het cassatiemiddel wijst op enkele passages in rapporten of verklaringen op de terechtzittingen van de deskundige [deskundige 1] en andere deskundigen, die op zichzelf bezien ook een andere gevolgtrekking zouden kunnen toelaten, en is van “denaturering” van de verklaring van de deskundige [deskundige 1] geen sprake. Daarbij is verder van belang dat het niet aan een deskundige maar aan de rechter is om de uiteindelijke vaststellingen over het causaal verband te doen en te oordelen of in een geval als dit de dood van het slachtoffer aan de verdachte kan worden toegerekend.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel

3.1
Het tweede cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Het derde cassatiemiddel klaagt over de manier waarop het hof een door de verdediging geschetst alternatief scenario heeft verworpen.
3.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 en 6.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.