Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 juli 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft eiseres B.V. cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 mei 2025, waarin het hof een geschil beslecht over de terugvordering van bedragen die door failliet vóór het faillissement zijn betaald. De kern van het geschil betreft de betalingsgrondslag, de stelplicht en bewijslast bij mondelinge afspraken en de betwisting daarvan.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2024 en het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De curator is in cassatie niet verschenen. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaten van eiseres schriftelijk hebben gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiseres beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van de curator nihil zijn begroot. Het arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer F.R. Salomons.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.