ECLI:NL:HR:2026:1161
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 22 december 2025. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief op 5 maart 2026 op de verschuldigdheid van het griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Deze brief werd afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres.
Het griffierecht werd echter niet voldaan. Vervolgens ontving belanghebbende op 7 april 2026 een tweede aangetekende brief waarin hij werd uitgenodigd om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht. Ook deze brief werd afgeleverd, maar belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd op 3 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.