ECLI:NL:HR:2026:1163

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/03482
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SvArt. 36g SvArt. 36h SvArt. 1.1 Wet BRPArt. 2.45 Wet BRP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid betekening oproeping hoger beroep bij briefadres verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof oordeelde dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep rechtsgeldig was betekend. De verdachte was niet verschenen en het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. De Hoge Raad onderzocht of de oproeping op juiste wijze was betekend, met name of de oproeping aan het briefadres van de verdachte, zoals geregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP), was aangeboden.

Uit de stukken bleek dat de oproeping niet was aangeboden op het briefadres waar de verdachte in de BRP stond ingeschreven, maar alleen een afschrift was verzonden. Volgens de Hoge Raad is verzending van een afschrift geen onderdeel van de betekening. De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie over de betekenis van het briefadres en het onderscheid met het postadres. Omdat de oproeping niet op het briefadres was aangeboden, was de betekening niet rechtsgeldig.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verklaarde de betekening van de oproeping nietig. De zaak werd terugverwezen naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep. Hiermee wordt benadrukt dat bij het ontbreken van een woonadres het briefadres in de BRP het juiste adres is voor betekening van gerechtelijke mededelingen, en dat de uitreiking daadwerkelijk op dat adres moet plaatsvinden.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de betekening van de oproeping in hoger beroep nietig en wijst de zaak terug naar het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03482
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2024, nummer 21-005060-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2024 geldig is betekend (uitgereikt).
2.2.1
De stukken die voor de beoordeling van de klacht van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.2. Kort samengevat volgt daaruit:
- volgens de eerste akte van uitreiking is de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2024 op 4 mei 2024, 16 mei 2024 en 17 mei 2024 tevergeefs aangeboden op het adres [a-straat 1] in [plaats] en vervolgens teruggestuurd naar het ressortsparket van het hof;
- volgens de tweede akte van uitreiking is die oproeping op 30 mei 2024 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie en is op die datum een afschrift van de oproeping verzonden naar het adres [c-straat 1] in [plaats];
- volgens de derde akte van uitreiking is die oproeping op 15 juni 2024 tevergeefs aangeboden op het adres [a-straat 1] in [plaats];
- volgens de vierde akte van uitreiking is die oproeping op 25 juni 2024 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;
- de informatiestaat SKDB-persoon van 12 juni 2024, die aan die oproeping is gehecht, houdt in dat de verdachte niet was gedetineerd, dat zij met ingang van 22 april 2024 in de basisregistratie personen (hierna: BRP) is ingeschreven op het briefadres [c-straat 1] in [plaats] en dat haar laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (datum registratie: 17 september 2019) het adres [b-straat 1] in [plaats] is. Verder houdt die informatiestaat SKDB-persoon in dat de verdachte vanaf 9 april 2024 tot 22 april 2024 in de BRP stond ingeschreven op het woonadres [a-straat 1] in [plaats].
2.2.2
Bij de stukken bevindt zich verder een proces-verbaal van bevindingen van politie van 17 juni 2024, dat als bijlage bij de derde akte van uitreiking is gevoegd. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:
“Op vrijdag 15 juni 2024 kregen wij het verzoek van het Resortsparket Arnhem-Leeuwarden, oproepingen uit te reiken aan ondergenoemde [verdachte]. Zij staat ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats]. Dat is echter een postadres, te weten het gemeentehuis van [plaats].
In de politiesystemen is als laatstgenoemd woonadres [a-straat 1] te [plaats] bekend. Op mijn verzoek heeft verbalisant [verbalisant] op dit adres getracht de oproepingen uit te reiken. Echter woont op dit adres een ander gezin, die genoemde [verdachte] niet kent en niet weet waar de vorige bewoonster nu verblijft.
Derhalve is het niet gelukt om genoemde oproepingen uit te reiken.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2024 houdt onder meer in:
“De verdachte genaamd:
(...)
wonende te [plaats], [a-straat 1] , postadres te [plaats], [c-straat 1],
is niet verschenen.
(...)
De voorzitter merkt op dat de raadsvrouw van verdachte, mr. M. Hilhorst te Utrecht, bij e- mailbericht van 28 juni 2024 het hof te kennen heeft gegeven dat zij zich genoodzaakt ziet om zich terug te trekken als advocaat uit deze zaak, omdat zij heeft getracht in contact te komen met haar cliënte maar dit niet is gelukt. De raadsvrouw heeft aangegeven al meer dan een jaar geen contact met haar te hebben gehad.
(...)
De advocaat-generaal voert het woord:
Er zijn geen grieven en volgens mij is de dagvaarding goed betekend.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De voorzitter voert het woord:
Het hof was voor aanvang van de zitting in de veronderstelling dat de oproeping niet is gegaan naar het adres [c-straat 1] te [plaats], maar dit bleek later toch wel al gedaan te zijn. Daarnaast is in mei 2024 een oproeping gegaan naar [a-straat 1] te [plaats]. Er was niemand aanwezig. Op een eerdere zitting in november 2022 is een brief uitgegaan naar een adres in Kroatië. Dat is nu niet gebeurd.
De advocaat-generaal voert het woord:
Ik heb dezelfde informatie als het hof. Zoals ik het zie, hoeft er ook geen brief uit te gaan naar Kroatië. Sindsdien is er een Nederlands adres en de oproeping is op dat adres betekend. In mijn optiek is de dagvaarding dan ook op juiste wijze betekend. De raadsvrouw heeft ook getracht contact te krijgen met verdachte. Ik zie geen reden om anders te kijken naar de betekening. Ik verzoek de zaak niet aan te houden om de dagvaarding te versturen naar Kroatië.
(...)
Na gehouden beraad verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en deelt mede, dat het hof onmiddellijk mondeling uitspraak zal doen:
(...)
Het hof ziet geen aanleiding om een oproeping te versturen naar andere adressen dan reeds is gedaan.”
2.2.4
Het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend en heeft – bij verstek – het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe onder meer overwogen:
“De verdachte is, evenals ter terechtzitting in eerste aanleg, niet ter terechtzitting in hoger beroep verschenen (ondanks dat in beide instanties de zaak ter zitting is aangehouden om het mogelijk te maken dat zij ter zitting zou verschijnen). De voormalig raadsvrouw van de verdachte, mr. M.P. Hilhorst, advocate te Utrecht, heeft zich per mailbericht op 28 juni 2024 aan de zaak onttrokken. Zij heeft via het openbaar ministerie het hof laten weten dat zij getracht heeft in contact te komen met verdachte, maar dat dit haar niet is gelukt. Zij heeft aangegeven al meer dan één jaar geen contact met haar te hebben gehad.
Het hof stelt vast dat voldaan is aan de regels die zijn gesteld ten aanzien van de betekening van de oproeping om ter terechtzitting van het hof te verschijnen. Tevens is voor zover redelijkerwijs mogelijk door eerder, net als in eerste aanleg, het onderzoek in de zaak aan te houden getracht het mogelijk te maken dat de verdachte haar recht kan uitoefenen om in hoger beroep in haar aanwezigheid te worden berecht. Alhoewel uit de correspondentie over het aanhoudingsverzoek uit 2022 en het proces-verbaal van aanhouding van de zitting van 11 november 2022 valt af te leiden dat de verdachte (destijds) nog altijd in Nederland zou wonen althans daar toen medische behandeling heeft ondergaan, heeft zij haar werkelijke huidige woon- of verblijfplaats kennelijk niet aan de gemeentelijke administratie noch aan het openbaar ministerie doorgegeven. Evenmin heeft zij met haar advocaat contact gehouden, ondanks dat haar bekend was dat de zaak in hoger beroep nog moest dienen.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 36e lid 1 en 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zoals dat luidde tot 1 juli 2025:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres, alsmede aan het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending.”
- Artikel 1.1 van de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet BRP):
“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(...)
o. het woonadres:
1° het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
2° het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten;
p. het briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen;
(...)
r. de briefadresgever: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in artikel 2.42, die een briefadres ter beschikking stelt;
(...)”
- Artikel 2.45 lid 2 en 3 Wet BRP:
“2. In de aangifte van een briefadres worden de redenen voor de aangifte van een briefadres medegedeeld. Bij de aangifte wordt een schriftelijke verklaring van instemming gevoegd van de briefadresgever.
3. De briefadresgever draagt zorg dat voor de houder van het briefadres bestemde geschriften of inlichtingen daarover, aan hem worden doorgegeven of medegedeeld.”
2.4.1
Als de niet-gedetineerde verdachte als ingezetene is ingeschreven in de BRP en bij de aanbieding van de dagvaarding of oproeping aan het BRP-adres van de verdachte geen uitreiking heeft kunnen plaatsvinden, wordt de dagvaarding of oproeping uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. De dagvaarding of oproeping is dan op grond van artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1⁰, in samenhang met artikel 36e lid 2, aanhef en onder b, Sv rechtsgeldig betekend op voorwaarde dat bij adresverificatie blijkt dat de verdachte op de dag waarop de dagvaarding of oproeping aan het BRP-adres is aangeboden en in elk geval vijf dagen nadien op dat adres was ingeschreven. De autoriteit van welke zij is uitgegaan zendt vervolgens onmiddellijk een afschrift van de dagvaarding of oproeping aan het BRP-adres. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverwegingen 3.11 tot en met 3.16.)
2.4.2
Bij het ontbreken van een woonadres moet, voor de toepassing van artikel 36e Sv, een briefadres als bedoeld in artikel 1.1 Wet BRP worden aangemerkt als het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de BRP waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden betekend (artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1°, Sv). Zo’n briefadres moet worden onderscheiden van een (post)adres als bedoeld in artikel 36g Sv. Dat (post)adres is niet het in artikel 36e Sv bedoelde adres waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden uitgereikt, maar het adres waaraan in de in artikel 36g Sv genoemde gevallen een afschrift moet worden toegezonden van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de (nadere) terechtzitting te verschijnen. (Vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3323, rechtsoverweging 2.3.3.)
2.5
Uit de stukken kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het betekenen van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2024 niet was gedetineerd en dat zij in de BRP stond ingeschreven op het briefadres [c-straat 1] in [plaats]. Uit de stukken volgt echter niet dat de oproeping ter uitreiking is aangeboden op dat adres van de verdachte. Het oordeel van het hof dat de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2024 geldig is betekend is – gelet op wat onder 2.4 is vooropgesteld – niet begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat een afschrift van de oproeping naar het adres [c-straat 1] in [plaats] is verzonden, nu deze verzending geen deel uitmaakt van de betekening.
2.6
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- verklaart de betekening van de oproeping voor de terechtzitting in hoger beroep van 1 juli 2024 nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.