ECLI:NL:HR:2026:1164

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/00717
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 477a RvArt. 33 lid 1 FwArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing wettelijke rente bij derdenbeslag ondanks vermeerderde vordering in hoger beroep

In deze zaak heeft Zuidwal Holding B.V. een geldlening verstrekt aan Driesprong Finance B.V., die deze lening niet volledig heeft terugbetaald. Zuidwal legde daarop derdenbeslag onder eiser, die een derdenverklaring aflegde dat Driesprong Finance geen vordering op hem had. Zuidwal betwistte deze verklaring en vorderde betaling van een bedrag met wettelijke rente.

De rechtbank veroordeelde eiser tot betaling van € 859.676,-- met rente vanaf acht dagen na het vonnis. In hoger beroep werd de vordering van Zuidwal verhoogd tot ruim € 3,5 miljoen, met rente vanaf een eerdere datum. Het hof veroordeelde eiser tot betaling van dit hogere bedrag met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis in eerste aanleg.

Eiser stelde in cassatie dat het hof onterecht de wettelijke rente vanaf die datum toekende voor het meerdere bedrag dat pas in hoger beroep was gevorderd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de rente vanaf die datum inging voor het meerdere, maar dat dit niet tot cassatie kon leiden omdat eiser geen belang had bij een ander oordeel gezien zijn proceskostenveroordeling in hoger beroep.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rentevaststelling van het hof met proceskostencompensatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/00717
Datum3 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaten: G.C. Nieuwland en M.E.A. Möhring,
tegen
ZUIDWAL HOLDING B.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Zuidwal,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/16/510156 / HA ZA 20-654 van de rechtbank Midden-Nederland van 27 juli 2022;
b. de arresten in de zaak 200.314.767 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 februari 2023, 23 mei 2023, 16 april 2024 en 26 november 2024.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof van 16 april 2024 en 26 november 2024 beroep in cassatie ingesteld.
Tegen Zuidwal is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaten en mede door J.W.M. Jansen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van [eiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Zuidwal heeft in 2017 € 5.750.000,-- aan Driesprong Finance B.V. (hierna: Driesprong Finance) geleend.
(ii) Driesprong Finance heeft de geldlening niet (volledig) terugbetaald.
(iii) Zuidwal heeft op 29 juni 2020 ten laste van Driesprong Finance executoriaal derdenbeslag gelegd onder [eiser].
(iv) Op 23 juli 2020 heeft [eiser] een derdenverklaring afgelegd met als inhoud dat Driesprong Finance geen vordering op hem heeft.
(v) Zuidwal betwist dat de derdenverklaring juist is.
2.2
In dit geding heeft Zuidwal in eerste aanleg op grond van art. 477a lid 2 Rv gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van € 859.676,-- met rente vanaf acht dagen na het te wijzen vonnis. De rechtbank [1] heeft [eiser] veroordeeld tot betaling van € 859.676,-- aan Zuidwal, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf acht dagen na betekening van het vonnis.
2.3
[eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. Zuidwal heeft in incidenteel hoger beroep, na vermeerdering van eis en voor zover in cassatie van belang, gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van € 3.673.793,31, althans € 3.523.793,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2018, dan wel 1 april 2020. In zijn eindarrest heeft het hof [2] [eiser] veroordeeld om als derde-beslagene ten behoeve van Zuidwal aan de deurwaarder van Zuidwal te voldoen € 3.523.793,31 met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de betekening van het vonnis in eerste aanleg (of: bij gebreke van die betekening na betekening van zijn eindarrest). Het hof heeft daartoe in rov. 2.39 overwogen dat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de betekening van het vonnis in eerste aanleg, dan wel (voor het geval het vonnis niet zou zijn betekend) veertien dagen na betekening van zijn eindarrest.
2.4
[eiser] heeft op 26 februari 2025 cassatieberoep ingesteld. Op 20 mei 2025 is Driesprong Finance failliet verklaard. Deze faillietverklaring heeft op grond van art. 33 lid 1 Fw Pro ten gevolge dat dit geding, dat strekt tot tenuitvoerlegging van een tegen Driesprong Finance uitgesproken veroordeling, een einde heeft genomen en dat de deugdelijkheid van de door [eiser] afgelegde verklaring niet verder kan worden onderzocht. [3] In verband met de in de bestreden uitspraak tegen hem uitgesproken kostenveroordeling behoudt [eiser] evenwel belang bij het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

3.1
De klachten van de onderdelen 1 en 2 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.2
Onderdeel 3 klaagt dat het hof heeft miskend dat het de wettelijke rente over het deel van de eis dat voor het eerst in hoger beroep is gevorderd, niet kon toewijzen vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis in eerste aanleg, althans dat dit niet kon zonder nadere motivering, die ontbreekt.
3.3
In eerste aanleg heeft Zuidwal aangevoerd dat de verklaring van [eiser] onjuist is en dat Driesprong Finance uit hoofde van geldlening een vordering heeft op [eiser] ter hoogte van € 859.676,-- en gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling aan haar van dat bedrag met rente vanaf acht dagen na het te wijzen vonnis. De rechtbank heeft het door Zuidwal gevorderde bedrag toegewezen. In hoger beroep heeft Zuidwal haar vordering vermeerderd, op de grond dat haar was gebleken dat ten onrechte verrekeningen hadden plaatsgevonden die hadden geleid tot een vermindering van het saldo van de lening van Driesprong Finance. Het hof heeft de vermeerderde vordering in hoger beroep grotendeels toegewezen. Voor zover het in hoger beroep toegewezen bedrag het door de rechtbank toegewezen bedrag te boven gaat, valt zonder nadere motivering niet in te zien op grond waarvan de wettelijke rente over dat meerdere ingaat vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis van de rechtbank. De motiveringsklacht van onderdeel 3 is dus terecht voorgedragen.
3.4
Deze klacht kan echter niet tot cassatie leiden, gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen over het belang van [eiser] bij zijn cassatieberoep. Ook indien gegrondbevinding van de klacht van onderdeel 3 ertoe zou leiden dat [eiser] in het gelijk wordt gesteld op het punt van de ingangsdatum van de wettelijke rente over het bedrag dat het hof heeft toegewezen boven het door de rechtbank toegewezen bedrag, dient hij immers te worden beschouwd als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, zodat hij op goede gronden in de proceskosten in dat hoger beroep is veroordeeld.
3.5
De Hoge Raad ziet aanleiding de proceskosten in cassatie te compenseren.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
3 juli 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 27 juli 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3101.
2.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7316.
3.HR 22 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9131; HR 16 december 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0545; HR 28 mei 1915, ECLI:NL:HR:1915:104.