Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaten van [eiser] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
3 juli 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft Zuidwal Holding B.V. een geldlening verstrekt aan Driesprong Finance B.V., die deze lening niet volledig heeft terugbetaald. Zuidwal legde daarop derdenbeslag onder eiser, die een derdenverklaring aflegde dat Driesprong Finance geen vordering op hem had. Zuidwal betwistte deze verklaring en vorderde betaling van een bedrag met wettelijke rente.
De rechtbank veroordeelde eiser tot betaling van € 859.676,-- met rente vanaf acht dagen na het vonnis. In hoger beroep werd de vordering van Zuidwal verhoogd tot ruim € 3,5 miljoen, met rente vanaf een eerdere datum. Het hof veroordeelde eiser tot betaling van dit hogere bedrag met wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis in eerste aanleg.
Eiser stelde in cassatie dat het hof onterecht de wettelijke rente vanaf die datum toekende voor het meerdere bedrag dat pas in hoger beroep was gevorderd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de rente vanaf die datum inging voor het meerdere, maar dat dit niet tot cassatie kon leiden omdat eiser geen belang had bij een ander oordeel gezien zijn proceskostenveroordeling in hoger beroep.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rentevaststelling van het hof met proceskostencompensatie.