ECLI:NL:HR:2026:1176

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
22/04549
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 2.B OpiumwetArt. 3.A OpiumwetArt. 11b OpiumwetArt. 2.C Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging hofarrest en vermindering gevangenisstraf wegens verjaring en schending openbaarheidsvereiste

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022. Het hof had verdachte veroordeeld voor meerdere feiten van medeplegen en deelneming aan een criminele drugsorganisatie.

De Hoge Raad constateerde dat het hof zijn beslissing niet in het openbaar had uitgesproken, wat in strijd is met artikel 362 lid 1 Sv Pro. Daarom sprak de Hoge Raad zelf de beslissing in het openbaar uit. Tevens oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat het feit van medeplegen aanwezig hebben van hasj was verjaard, waardoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard voor dat feit.

Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met vier jaar. De overige cassatiemiddelen werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest deels en beperkte de straf tot drie jaar en acht maanden.

Deze uitspraak benadrukt het belang van het openbaarheidsvereiste bij vonnissen en arresten en de toepassing van verjaring en redelijke termijn in strafzaken.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest deels, verklaart OM niet-ontvankelijk voor verjaringsfeit en vermindert gevangenisstraf tot drie jaar en acht maanden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04549
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022, nummer 20-002289-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft het onder feit 6 bewezenverklaarde en de straf en dat de Hoge Raad: (i.) het arrest van het hof van 1 december 2022 in het openbaar zal uitspreken; (ii.) het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van het onder 6 tenlastegelegde; (iii.) de duur van de opgelegde gevangenisstraf zal verminderen aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en (iv.) het beroep in cassatie voor het overige zal verwerpen.
De advocaat L.E.G. van der Hut heeft daarop namens de verdachte schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.
2.2
Uit de stukken blijkt niet dat de beslissing van het hof overeenkomstig artikel 362 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering in het openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
2.3
De Hoge Raad zal doen wat het hof had moeten doen en zelf de beslissing van het hof op de openbare terechtzitting uitspreken.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden en omdat ten tijde van het indienen van de cassatieschriftuur al meer dan twee jaren waren verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.

5.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

5.1
Op grond van wat is vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.2 tot en met 4.5 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit is verjaard.
5.2
De Hoge Raad zal wat betreft feit 6 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.
5.3
Gelet op het vorenstaande is bespreking van het derde cassatiemiddel niet nodig.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 wat betreft de beslissingen over het onder 6 tenlastegelegde;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 6 tenlastegelegde;
- vernietigt de uitspraak van het hof verder wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en acht maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.