Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de uitvoer van hard- en softdrugs. De verdachte stelde cassatiemiddelen in tegen het arrest, waarbij onder meer werd geklaagd over de bewijsvoering en de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur, met vermindering van de straf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de bewijsvoering niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was deze nader te motiveren.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door late indiening van stukken en de lange duur na het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van zestien naar vijftien maanden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafduur, verminderde deze en verwierp het beroep voor het overige. Het arrest werd uitgesproken op 7 juli 2026 door de vice-president Borgers en raadsheren Posthumus en Kuiper.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijftien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt voor het overige verworpen.