ECLI:NL:HR:2026:1179

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
22/04601
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 26.1 WWMArt. 70 lid 1 sub 2 SrArt. 72 lid 2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf en niet-ontvankelijkverklaring voor verjaring munitiebezit

In deze cassatieprocedure heeft de verdachte beroep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest voor het ten laste gelegde bezit van munitie van categorie III en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens verjaring. Tevens werd vermindering van de gevangenisstraf voorgesteld.

De Hoge Raad oordeelde dat het feit van het voorhanden hebben van munitie van categorie III verjaard is en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging daarvan. De klachten over andere onderdelen van het arrest werden verworpen. Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat aanleiding gaf tot vermindering van de gevangenisstraf van zes jaar naar vijf jaar en zes maanden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank Limburg voor zover deze betrekking hadden op het bezit van munitie van categorie III. De rest van het beroep werd verworpen. De vermindering van de straf werd gemotiveerd door de overschrijding van de redelijke termijn, terwijl de ernst van de overige bewezenverklaarde feiten onverminderd bleef.

Deze uitspraak benadrukt het belang van de absolute verjaringstermijn bij strafbare feiten en de toepassing van het redelijke termijnbeginsel in strafzaken.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard voor het bezit van munitie wegens verjaring en de gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en zes maanden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04601
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022, nummer 20-002168-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1
Op grond van wat is vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit is verjaard voor zover dat betrekking heeft op het voorhanden hebben van munitie van categorie III.
4.2
De Hoge Raad zal wat betreft feit 6, voor zover dat betrekking heeft op het voorhanden hebben van munitie van categorie III, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 wat betreft de beslissingen over het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 6 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie van categorie III;
- vernietigt de uitspraak van het hof verder wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.