ECLI:NL:HR:2026:1180

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
22/04640
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 70 lid 1 sub 2 SrArt. 72 lid 2 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf en niet-ontvankelijkverklaring wegens verjaring medeplegen hasj

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof had verdachte veroordeeld voor medeplegen van het bezit van hasj, een feit dat onder artikel 3.C van de Opiumwet valt. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het hofarrest met betrekking tot dit feit, niet-ontvankelijkverklaring van het OM wegens verjaring, en vermindering van de straf wegens schending van de redelijke termijn.

De Hoge Raad oordeelde ambtshalve dat het tenlastegelegde medeplegen van het bezit van hasj is verjaard en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van dit feit. De overige bewezenverklaarde feiten blijven onverminderd van kracht, zodat de strafvermindering beperkt bleef tot achttien maanden gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het arrest vernietigt het hofarrest en het vonnis van de rechtbank Limburg voor zover zij betrekking hebben op het medeplegen van hasj. Het beroep van verdachte wordt voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 7 juli 2026.

Uitkomst: Het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard voor medeplegen hasj wegens verjaring en de gevangenisstraf wordt verminderd tot zeventien maanden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04640
Datum7 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2022, nummer 20-000840-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over het onder 6 bewezenverklaarde medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het als feit 6 tenlastegelegde, tot vermindering van de gevangenisstraf vanwege het vervallen van het recht tot vervolging van het als feit 6 tenlastegelegde en de schending van de redelijke termijn, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1
Op grond van wat is vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 is de Hoge Raad van oordeel dat het onder 6 tenlastegelegde feit is verjaard.
4.2
De Hoge Raad zal wat betreft feit 6 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf bestaat onvoldoende grond, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 juli 2017 wat betreft de beslissingen over het onder 6 tenlastegelegde;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wat betreft het onder 6 tenlastegelegde;
- vernietigt de uitspraak van het hof verder wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 juli 2026.