Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 juli 2026.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 augustus 2024, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het geschil betrof onder meer de vraag of het hof terecht had geoordeeld dat sprake was van drie oogsten die voordeel hadden opgeleverd en of het aantal planten in de kwekerij 360 bedroeg, ondanks betwisting door de verdediging.
De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten van de betrokkene beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel van het hof nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Trotman en Kuiper, en uitgesproken op 7 juli 2026. Het beroep is verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.