Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de weigering van verdachte om mee te werken aan een bloedonderzoek centraal, zoals bedoeld in artikel 163 lid 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar het gerechtshof Amsterdam oordeelde anders en stelde vast dat sprake was van opzet bij de weigering.
De verdachte stelde in cassatie een bewijsklacht in tegen het oordeel van het hof. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij hij de motivering en bewijsoverwegingen van het hof onderschreef. Het hof had op basis van de feiten en het bewijs zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte opzettelijk had geweigerd mee te werken aan het bloedonderzoek.
De Hoge Raad volgde de conclusie van de advocaat-generaal en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef het arrest van het hof Amsterdam in stand, waarmee de opzet van de verdachte bij de weigering van het bloedonderzoek definitief werd vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat sprake is van opzet bij weigering van bloedonderzoek.