Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
Overschrijding van de redelijke termijn met meer dan vier jaren.
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
In deze strafzaak tegen de verdachte wegens poging tot afdreiging door het proberen te dwingen tot het aangaan van meerdere telefoonabonnementen, werd in hoger beroep een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn aangevoerd. De raadsvrouw van de verdachte stelde dat de redelijke termijn met meer dan vier jaren was overschreden, zonder dat dit aan de verdachte kon worden toegerekend.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed op 1 mei 2024 uitspraak, maar gaf geen gemotiveerde beslissing over deze overschrijding, ondanks dat het verweer tijdens de terechtzitting op 17 april 2024 was ingebracht. De Hoge Raad stelde vast dat het hof hiermee tekort was geschoten en besloot de zaak zelf af te doen.
De Hoge Raad nam aan dat de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep was overschreden en constateerde daarnaast dat ook in de cassatieprocedure de redelijke termijn was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de opgelegde taakstraf van zestig uren vond de Hoge Raad dat dit oordeel voldoende was en verbond daaraan geen ander rechtsgevolg.
De overige klachten van de verdachte tegen het arrest van het hof werden door de Hoge Raad beoordeeld maar leidden niet tot vernietiging van het arrest. Het beroep werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en cassatie en verwerpt het cassatieberoep.