Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor valsheid in geschrift wegens het valselijk opmaken van een formulier voor vermissing van een reisdocument/rijbewijs. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken. In hoger beroep werd een taakstraf opgelegd, deels voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
In cassatie klaagde de verdachte over het ontbreken van bewijs voor (voorwaardelijk) opzet en over de ontoereikende motivering van de strafoplegging. De Hoge Raad verwierp het middel over het opzet, stellende dat het hof op basis van zijn bewijsoverwegingen niet onbegrijpelijk tot het oordeel was gekomen dat sprake was van opzet.
De Hoge Raad oordeelde echter dat de strafmotivering onvoldoende was, omdat het hof in zijn motivering zwaar tilde aan het feit dat de verdachte gemeenteraadslid was en journalist, terwijl het proces-verbaal en de stukken onvoldoende aanknopingspunten boden voor deze omstandigheden. Daarom vernietigde de Hoge Raad de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe strafoplegging.
Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan op 14 juli 2026 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde strafoplegging.