ECLI:NL:HR:2026:1189

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/03896
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging valsheid in geschrift en wijst zaak terug

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor valsheid in geschrift wegens het valselijk opmaken van een formulier voor vermissing van een reisdocument/rijbewijs. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken. In hoger beroep werd een taakstraf opgelegd, deels voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

In cassatie klaagde de verdachte over het ontbreken van bewijs voor (voorwaardelijk) opzet en over de ontoereikende motivering van de strafoplegging. De Hoge Raad verwierp het middel over het opzet, stellende dat het hof op basis van zijn bewijsoverwegingen niet onbegrijpelijk tot het oordeel was gekomen dat sprake was van opzet.

De Hoge Raad oordeelde echter dat de strafmotivering onvoldoende was, omdat het hof in zijn motivering zwaar tilde aan het feit dat de verdachte gemeenteraadslid was en journalist, terwijl het proces-verbaal en de stukken onvoldoende aanknopingspunten boden voor deze omstandigheden. Daarom vernietigde de Hoge Raad de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe strafoplegging.

Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan op 14 juli 2026 door de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde strafoplegging.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/03896
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2024, nummer 22-003406-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat G. Spong bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het (voorwaardelijk) opzet op het valselijk opmaken van het formulier ‘Verklaring vermissing reisdocument/rijbewijs gemeente [...]’ niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.6 en onder 2.8 tot en met 2.12.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt over de strafmotivering.
3.2
De verdachte is voor valsheid in geschrift veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een formulier waarin opgave is gedaan van vermissing van zijn rijbewijs valselijk opgemaakt en daarvan gebruik gemaakt bij de gemeente. Zijn bedoeling hiermee was om snel en eenvoudig een nieuw rijbewijs te verkrijgen, terwijl correcte vermelding van de relevante omstandigheden dat waarschijnlijk zou hebben bemoeilijkt.
De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat moet kunnen worden ontleend aan formulieren ter aanvraag van een door de overheid af te geven document. Instanties zoals de gemeente dienen er vanuit te kunnen gaan dat dit soort formulieren overeenkomstig de werkelijkheid worden ingevuld.
Nu de verdachte op het moment van het begaan van het feit was verkozen als gemeenteraadslid van de betreffende gemeente en hij bovendien zelf als journalist kritisch schrijft over overheidshandelen, had zeker van hem mogen worden verwacht dat hij integer zou hebben gehandeld. Dat hij dit heeft nagelaten, rekent het hof hem aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 25 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Hij moet daarom als een zogenaamde “first-offender” worden aangemerkt.
Alles afwegende, en met name gelet op de persoon van de verdachte, is het hof van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf, zoals geëist door de advocaat- generaal, onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof acht een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie.”
3.3
Het hof heeft in de strafmotivering in het nadeel van de verdachte betrokken dat “de verdachte op het moment van het begaan van het feit was verkozen als gemeenteraadslid van de betreffende gemeente en hij bovendien zelf als journalist kritisch schrijft over overheidshandelen”. Het proces-verbaal van de terechtzitting en de stukken waarvan op de terechtzitting de korte inhoud is medegedeeld – waarvan de relevante onderdelen zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.3 – bieden echter onvoldoende aanknopingspunten voor die vaststellingen. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.
3.4
Het cassatiemiddel slaagt voor zover het hierover klaagt. Dat brengt mee dat bespreking van het restant van het cassatiemiddel niet nodig is.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.