Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
27 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene was veroordeeld voor medeplichtigheid door het ter beschikking stellen van haar woning voor het bewerken en verwerken van cocaïne. In eerste aanleg was de ontnemingsvordering afgewezen.
Het hof rekende een deel van het voordeel van het cocaïnelaboratorium aan de betrokkene toe, ondanks dat uit het dossier niet bleek dat zij zelf direct voordeel had genoten. De betrokkene voerde aan dat de toerekening op basis van percentages slechts gokwerk was. Het hof oordeelde dat 30% van het totaalvoordeel aan haar en medebetrokkenen kon worden toegerekend, waarvan vervolgens een negende deel aan haar.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het hof niet tot vernietiging leiden en dat het hof terecht het voordeel toerekende. Wel werd ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot vermindering van het ontnemingsbedrag van €122.922 naar €117.922. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag tot €117.922 wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de toerekening van voordeel aan de betrokkene.