Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over een klaagschrift inzake beslaglegging op telefoons, een horloge en geldbedragen op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van Duitse autoriteiten in een strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige hennepteelt en -handel.
De rechtbank had geoordeeld dat het EOB was uitgevaardigd door een bevoegde buitenlandse autoriteit, namelijk de Duitse officier van justitie, en het klaagschrift ongegrond verklaard. De klager stelde dat het EOB onrechtmatig was omdat het niet door een rechter maar door het Duitse Openbaar Ministerie was afgegeven zonder spoedeisendheid.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie en Europese richtlijnen, waaronder de uitleg van het Hof van Justitie EU dat een officier van justitie als uitvaardigende autoriteit kan worden aangemerkt indien deze bevoegd is om de onderzoeksmaatregel in vergelijkbare binnenlandse omstandigheden te bevelen. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het EOB door een bevoegde autoriteit is uitgevaardigd en dat het verzoek om prejudiciële vragen te stellen wordt afgewezen omdat de Nederlandse OvJ en rechter niet verplicht zijn om de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit zelfstandig te onderzoeken.
Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het Europees onderzoeksbevel door de Duitse officier van justitie bevoegd is uitgevaardigd.