ECLI:NL:HR:2026:1190

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
26/00863
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.1 SvArt. 5.4.2 SvArt. 5.4.3 SvArt. 5.4.4 SvArt. 5.4.5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Duitse OvJ voor Europees onderzoeksbevel en wijst verzoek prejudiciële vragen af

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over een klaagschrift inzake beslaglegging op telefoons, een horloge en geldbedragen op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van Duitse autoriteiten in een strafrechtelijk onderzoek naar grootschalige hennepteelt en -handel.

De rechtbank had geoordeeld dat het EOB was uitgevaardigd door een bevoegde buitenlandse autoriteit, namelijk de Duitse officier van justitie, en het klaagschrift ongegrond verklaard. De klager stelde dat het EOB onrechtmatig was omdat het niet door een rechter maar door het Duitse Openbaar Ministerie was afgegeven zonder spoedeisendheid.

De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie en Europese richtlijnen, waaronder de uitleg van het Hof van Justitie EU dat een officier van justitie als uitvaardigende autoriteit kan worden aangemerkt indien deze bevoegd is om de onderzoeksmaatregel in vergelijkbare binnenlandse omstandigheden te bevelen. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het EOB door een bevoegde autoriteit is uitgevaardigd en dat het verzoek om prejudiciële vragen te stellen wordt afgewezen omdat de Nederlandse OvJ en rechter niet verplicht zijn om de bevoegdheid van de uitvaardigende autoriteit zelfstandig te onderzoeken.

Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het Europees onderzoeksbevel door de Duitse officier van justitie bevoegd is uitgevaardigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer26/00863 Br
Datum14 juli 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Limburg van 3 maart 2026, nummer RK 26/002877, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat S.T. van Berge Henegouwen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadsman van de klager heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) is uitgevaardigd door de bevoegde buitenlandse autoriteit.
2.2.1
De rechtbank heeft het klaagschrift dat strekt tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen voorwerpen ongegrond verklaard en heeft daartoe onder meer overwogen:
“Feiten
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse autoriteiten in het kader van een strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot – kort gezegd – grootschalige cannabisteelt en -handel, is op 21 januari 2026 beslag gelegd op vier telefoons, een Apple Watch, € 17500,- kasgeld en € 150,- (privé) geld.
(...)
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.
Namens de klager is aangevoerd dat het EOB onrechtmatig is afgegeven. Het EOB is niet door een rechter maar door het Duitse Openbaar Ministerie afgegeven. Een EOB kan alleen zonder tussenkomst van een rechter worden afgegeven in geval van spoed. Aangezien het EOB op 5 januari 2026 is afgegeven en de doorzoekingen pas op 21 januari 2026 hebben plaatsgevonden, kan niet worden gesproken van spoed.
(...)
Beoordeling
(...)
De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd ten behoeve van de waarheidsvinding in het kader van een onderliggend opsporingsonderzoek in Duitsland. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.
Er doen zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.4.4 Sv voor.
De stelling van de raadsman dat de Duitse officier van justitie niet bevoegd was tot het indienen van het EOB, is op geen enkele wijze onderbouwd.
Uit artikel 9 van Pro Richtlijn 2014/41/EU ziende op het EOB volgt dat ‘de uitvoerende autoriteit’ zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 5.4.7 Sv.
De rechtbank stelt voorts, op basis van de beschikbare stukken, vast dat conform het EOB is opgetreden. De in beslag genomen goederen zijn van belang in het kader van de waarheidsvinding en vallen daarmee binnen het bereik van het EOB.”
2.2.2
Bij de stukken bevindt zich het EOB. Dit EOB, dat is uitgevaardigd door het “Openbaar Ministerie (Staatsanwaltschaft)”, heeft betrekking op onder meer een in Nederland te verrichten huiszoeking die in Duitsland door de rechter is gelast.
2.3.1
Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (Pb EU 2014, L 130/1; hierna: Richtlijn 2014/41/EU) bevat onder meer de volgende bepalingen.
- Artikel 1 lid Pro 1:
“Het Europees onderzoeksbevel en de verplichting tot tenuitvoerlegging ervan
1. Een Europees onderzoeksbevel (EOB) is een door een rechterlijke autoriteit van een lidstaat („de uitvaardigende staat”) uitgevaardigde of erkende rechterlijke beslissing die ertoe strekt in een andere lidstaat („de uitvoerende staat”) één of meer specifieke onderzoeksmaatregelen te laten uitvoeren met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal conform het bepaalde in deze richtlijn. Het EOB kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.”
- Artikel 2:
“Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
a) „uitvaardigende staat”: de lidstaat waar het EOB wordt uitgevaardigd;
b) „uitvoerende staat”: de lidstaat waar het EOB ten uitvoer wordt gelegd en waar de onderzoeksmaatregel moet worden uitgevoerd;
c) „uitvaardigende autoriteit”:
i) een in de zaak bevoegde rechter, rechtbank, een onderzoeksrechter of officier van justitie, of
ii) iedere andere door de uitvaardigende staat aangeduide bevoegde autoriteit, die in de zaak in kwestie optreedt als strafrechtelijke onderzoeksautoriteit en overeenkomstig de nationale wetgeving bevoegd is opdracht te geven tot bewijsgaring. Voordat het EOB wordt toegezonden aan de uitvoerende autoriteit, wordt het gevalideerd door een rechter, een rechtbank, een onderzoeksrechter of een officier van justitie in de uitvaardigende staat, na onderzoek of het aan de voorwaarden voor het uitvaardigen van een EOB uit hoofde van deze richtlijn, in het bijzonder de in artikel 6, lid 1, gestelde voorwaarden, voldoet. Indien het EOB door een rechterlijke autoriteit is gevalideerd, kan deze autoriteit in het kader van de verzending van het EOB ook als uitvaardigende autoriteit worden aangemerkt;
d) „uitvoerende autoriteit”: een autoriteit die bevoegd is om een EOB in overeenstemming met deze richtlijn en de in een soortgelijke binnenlandse zaak geldende procedures te erkennen en ten uitvoer te laten leggen. In deze procedures kan in de uitvoerende staat krachtens het nationale recht de toestemming van een rechtbank vereist zijn.”
- Artikel 9 lid Pro 1, 2 en 3:
“1. De uitvoerende autoriteit erkent het overeenkomstig deze richtlijn toegezonden EOB zonder verdere formaliteiten en zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat, tenzij die autoriteit beslist zich te beroepen op een van de gronden voor weigering van erkenning of tenuitvoerlegging of een van de gronden voor uitstel, zoals bepaald in deze richtlijn.
2. Tenzij in deze richtlijn anders is bepaald, neemt de uitvoerende autoriteit de door de uitvaardigende autoriteit uitdrukkelijk aangegeven vormvoorschriften en procedures in acht, mits deze niet strijdig zijn met de fundamentele rechtsbeginselen van de uitvoerende staat.
3. Indien een uitvoerende autoriteit een EOB ontvangt dat niet door een uitvaardigende autoriteit in de zin van artikel 2, onder c), is uitgevaardigd, stuurt de uitvoerende autoriteit het EOB terug naar de uitvaardigende staat.”
2.3.2
Richtlijn 2014/41/EU is geïmplementeerd met de Wet van 31 mei 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter implementatie van de richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (implementatie richtlijn Europees onderzoeksbevel), Stb. 2017, 231. De volgende bepalingen zijn in het bijzonder van belang.
- Artikel 5.4.1 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Een Europees onderzoeksbevel is een beslissing afkomstig van een rechterlijke autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken en Ierland, die ertoe strekt in een andere lidstaat één of meer bevoegdheden toe te passen met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal in een strafzaak. Een Europees onderzoeksbevel kan tevens worden uitgevaardigd om bewijsmateriaal te verkrijgen dat reeds in het bezit is van de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende staat.”
- Artikel 5.4.2 lid 1 Sv:
“De officier van justitie is bevoegd tot erkenning en uitvoering van een Europees onderzoeksbevel.”
- Artikel 5.4.3 lid 1 en 3 Sv:
“1. Vatbaar voor erkenning is een Europees onderzoeksbevel dat ten minste de volgende informatie bevat:
a. gegevens over de uitvaardigende autoriteit en, indien van toepassing, de validerende autoriteit;
(...)
3. De officier van justitie zendt het bevel terug indien het bevel is verzonden door een onbevoegde buitenlandse autoriteit.”
2.4.1
Bij de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv beoordeelt de rechter onder meer of zich – gelet op artikel 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB (vgl. HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940, rechtsoverweging 4.2.2). De rechter betrekt bij deze beoordeling de inhoud van het EOB (vgl. HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1685). De rechter slaat acht op de inhoud van het klaagschrift en wat daarover door de officier van justitie en door of namens de betrokkene naar voren is gebracht bij de behandeling van het klaagschrift. De rechter hoeft echter niet ambtshalve te doen blijken te hebben onderzocht of de officier van justitie, na de ontvangst van het EOB, alle voorschriften van artikel 5.4.2 tot en met 5.4.5 Sv in acht heeft genomen voordat hij tot de erkenning en de uitvoering van het EOB is overgegaan (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:965).
2.4.2
Op grond van artikel 5.4.3 lid 3 Sv – dat strekt tot implementatie van artikel 9 lid 3 Richtlijn Pro 2014/41/EU – moet de officier van justitie een EOB terugzenden als dat bevel is verzonden door een onbevoegde buitenlandse autoriteit. Of daarvan sprake is, kan – na een daartoe strekkend verweer (vgl. HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:965, rechtsoverweging 4.2.3) – worden getoetst door de rechter die een klaagschrift beoordeelt dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 in samenhang met artikel 552a Sv.
2.5.1
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) is in de zaak A. e.a./Staatsanwaltschaft Wien ingegaan op de vraag, kort gezegd, of het openbaar ministerie in Hamburg – dat een EOB had uitgevaardigd – kan worden aangemerkt als “rechterlijke autoriteit” en “uitvaardigende autoriteit” in de zin van artikel 1 lid 1 en Pro artikel 2, aanhef en onder c, Richtlijn 2014/41/EU (Hof van Justitie 8 december 2020, zaak C584/19, ECLI:EU:C:2020:1002). Het arrest van het Hof van Justitie houdt onder meer in:
“75 Gelet op al het voorgaande dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, en artikel 2, onder c), van richtlijn 2014/41 aldus moeten worden uitgelegd dat de begrippen „rechterlijke autoriteit” en „uitvaardigende autoriteit” in de zin van deze bepalingen ook zien op de officier van justitie van een lidstaat of, meer in het algemeen, het openbaar ministerie van een lidstaat, ongeacht of er juridisch mogelijkerwijs sprake is van een ondergeschiktheidsrelatie tussen deze officier van justitie of dit openbaar ministerie en de uitvoerende macht van die lidstaat, en of deze officier van justitie of dit openbaar ministerie het risico loopt om bij de vaststelling van een Europees onderzoeksbevel direct of indirect te worden aangestuurd door of individuele instructies te ontvangen van de uitvoerende macht.”
2.5.2
De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak HP in tegenwoordigheid van Spetsializirana prokurata, houdt over artikel 2, aanhef en onder c, Richtlijn 2014/41/EU in (Hof van Justitie 16 december 2021, zaak C-724/19, ECLI:EU:C:2021:1020):
“38 Derhalve dient de analyse van artikel 2, onder c), i), van richtlijn 2014/41, gelezen in het licht van de overwegingen 5 tot en met 8 en 10 ervan (...) tot de conclusie te leiden dat de uitvaardigende autoriteit de autoriteit moet zijn die in het kader van de betrokken strafprocedure belast is met het onderzoek en die dus volgens het nationale recht bevoegd is om opdracht te geven tot bewijsgaring. Indien er in een strafonderzoek een onderscheid zou zijn tussen de uitvaardigende autoriteit van het Europees onderzoeksbevel en de autoriteit die bevoegd is om onderzoeksmaatregelen te bevelen in die strafprocedure, zou namelijk het risico bestaan dat het samenwerkingssysteem wordt bemoeilijkt en de invoering van een vereenvoudigde, efficiënte regeling daardoor wordt ondermijnd.”
2.5.3
Uit deze rechtspraak volgt dat een officier van justitie kan worden aangemerkt als een autoriteit die bevoegd is om een EOB uit te vaardigen en dat als voorwaarde geldt dat de officier van justitie op grond van het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat de in het EOB genoemde onderzoeksmaatregel in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak kan bevelen.
2.6
De rechtbank heeft overwogen dat “de Duitse autoriteiten” een EOB hebben uitgevaardigd ten behoeve van de waarheidsvinding in het kader van een opsporingsonderzoek in Duitsland. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van de raadsman van de klager dat de Duitse officier van justitie niet bevoegd was tot het uitvaardigen van het EOB, niet is onderbouwd. In het licht van wat onder 2.4 en 2.5 is vooropgesteld, getuigt het op deze overwegingen gebaseerde kennelijke oordeel van de rechtbank dat het EOB is uitgevaardigd door een daartoe bevoegde (rechterlijke) autoriteit, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het, gelet op de onder 2.2.2 weergegeven inhoud van het EOB, niet onbegrijpelijk.
2.7
Het cassatiemiddel faalt.
2.8
In de schriftuur wordt het verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over, kort gezegd, de vraag of de Nederlandse officier van justitie en de Nederlandse rechter moeten onderzoeken of de uitvaardigende autoriteit bevoegd was tot het uitvaardigen van een EOB. Dat verzoek is gedaan onder de voorwaarde dat de Hoge Raad in deze beschikking zou oordelen dat de Nederlandse officier van justitie en de Nederlandse rechter niet gehouden zijn om zo’n onderzoek te verrichten. Uit wat onder 2.4 is vooropgesteld, volgt dat die voorwaarde niet is vervuld. De Hoge Raad wijst het verzoek daarom af.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.