ECLI:NL:HR:2026:1193

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/01399
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300.1 SrArt. 41.1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt oordeel hof over proportionaliteit noodweer bij verkeersconflict

De verdachte werd veroordeeld voor mishandeling door het geven van een kopstoot en vuistslagen na een verkeersconflict waarbij hij was weggereden na een aanrijding. Het hof oordeelde dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door de aangever, maar verwierp het beroep op noodweer omdat de kopstoot niet in redelijke verhouding stond tot het vastgrijpen van de verdachte.

De verdediging voerde aan dat de verdachte werd aangevallen en vastgehouden door een grotere man en dat hij zich met een kopstoot verdedigde, waarbij opzet ontbrak. Het hof stelde vast dat de aangever de verdachte vasthield en sloeg, waardoor de verdachte niet kon vluchten, en dat de kopstoot hard aankwam. Desondanks vond het hof de kopstoot disproportioneel.

De Hoge Raad herhaalde de proportionaliteitseis bij noodweer en oordeelde dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is, mede gezien de vastgestelde noodweersituatie en de omstandigheden. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling en beslissing over het ten laste gelegde en de strafoplegging.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof over noodweer en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01399
Datum14 juli 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 april 2024, nummer 21-004823-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.H.H. Meulemeesters bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat deze op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op noodweer. Het klaagt in het bijzonder over het oordeel dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. hij op 17 september 2022 te [plaats] [aangever] heeft mishandeld door hem een kopstoot en vuistslagen op het jukbeen en/of voorhoofd, althans gezicht, van die [aangever] te hebben gegeven;
2. hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in [plaats] op de kruising van de [a-straat] met de [b-straat] , op of omstreeks 17 september 2022 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan een ander (te weten [aangever] ) schade was toegebracht.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar aangevoerd:
“De verdediging refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van feit 2 en kan zich vinden in de bewezenverklaring zoals door de politierechter gedaan.
(...)
Met betrekking tot feit 1 (...).
Het gemak waarmee de aangifte wordt gevolgd stoort mij. Ik wijs op wat [getuige] heeft verklaard bij de RHC. Cliënt heeft erkend fout te zijn geweest. Ik kan mij voorstellen dat aangever achter cliënt aangaat. Maar is het dan ook normaal dat mijn cliënt agressief bejegend wordt? Aangever pakte cliënt bij zijn kraag en hief zijn vuist. Het is wel duidelijk dat cliënt aangevallen werd. Cliënt is fysiek ondergeschikt, hij wordt beetgepakt en hij probeert uit die greep te komen. Hij heeft geen kopstoot gegeven, in ieder geval geen opzettelijke kopstoot gegeven. Het letsel is er. Er was een bepaalde dynamiek tussen cliënt en aangever. [getuige] heeft het duidelijk beschreven. Cliënt werd vastgepakt en hij probeerde zich daaraan te onttrekken. Misschien is hij omhoog gekomen waardoor letsel is ontstaan. Doordat de opzet ontbreekt dient cliënt te worden vrijgesproken van feit 1.
Subsidiair bepleit ik dat sprake is geweest van noodweer. Cliënt werd aangevallen en vastgepakt en hij kon zich niet eraan onttrekken. In die handelingen om uit de greep te komen van aangever is er letsel ontstaan. Dan is er sprake van noodweer en dat beroep komt hem toe. Ik vraag u cliënt van dit feit vrij te spreken dan wel te ontslaan van rechtsvervolging.
(...)
Een noodweerverweer moet aannemelijk worden gemaakt en dat heb ik gedaan. Die aannemelijkheid zit in de verklaring van [getuige] . Cliënt wordt vastgepakt en dan geslagen. Het noodweerverweer is niet gevoerd in eerste aanleg. Nu voer ik het aan vanwege de verklaring van [getuige] bij de RHC. Maar ik wijs op de verklaring van cliënt op blz. 36 van het politie proces-verbaal waarin hij verklaart over een kopstoot. Dus hij heeft het wel direct aangevoerd.
De advocaat-generaal heeft een soort culpa in causa redenering. Maar er is sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van cliënt door aangever en de reactie van cliënt blijft binnen de grenzen van proportionaliteit.”
2.2.3
Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen:
“Noodweer
De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat sprake is geweest van een noodweersituatie. In die situatie mocht verdachte zich verdedigen tegen de wederrechtelijke aanranding door aangever en dient vrijspraak van dit feit te volgen.
Het hof overweegt het volgende.
Een beroep op noodweer slaagt indien verdachte een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Die verdediging moet daarbij wel in verhouding staan tot de aanval.
Voor de beoordeling van het beroep op noodweer zal het hof de feitelijke grondslag van het beroep onderzoeken. [aangever] heeft verklaard dat hij op 17 september 2022 met zijn auto over de [a-straat] reed richting de [b-straat] . Deze straten bevinden zich in de gemeente [plaats] . Toen hij rechtsaf wilde slaan zag hij dat er een voertuig tegen zijn auto aanreed. Na de aanrijding is hij uitgestapt. De man die hem had aangereden reed echter weg toen hij zag dat aangever de politie ging bellen. Aangever is er achteraan gereden en heeft de man gevonden. De man stapte agressief uit en riep waarom aangever hem achtervolgde. De man pakte toen het shirt van aangever vast en gaf hem een kopstoot op aangevers mond. Aangever voelde pijn en voelde dat zijn voortand eruit lag. Vervolgens voelde en zag hij dat hij nog een klap op zijn hoofd kreeg. Aangever zag en voelde dat verdachte met zijn vuist op aangevers jukbeen sloeg en nog een keer op zijn voorhoofd sloeg.
De politie is ter plaatse gekomen waarbij zij met aangever hebben gesproken en hebben geconstateerd dat aangever bloed rond zijn mond had, een dikke lip en dat aangever een voortand miste. Vervolgens werd verdachte aangesproken die verklaarde dat hij een verkeersconflict met aangever had en dat hij door hem ook geslagen was. Daarop werd verdachte aangehouden ter zake van mishandeling.
Verdachte heeft verklaard dat hij betrokken was hij een verkeersongeval. Hij is weggereden zonder zijn gegevens aan de ander kenbaar te maken, omdat hij naar huis wilde rijden om zijn papieren op te halen. Toen verdachte wegreed werd hij door de man achtervolgd. Hij is gestopt. De man pakte toen de autosleutels uit het contact van zijn auto waarop een conflict is ontstaan.
[getuige] heeft vanuit zijn woning de schermutseling van bovenaf gezien. Hij heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij geschreeuw hoorde op straat en zag dat er twee auto’s stil stonden. Uit beide auto’s stapte iemand uit en deze twee personen begonnen tegen elkaar te schreeuwen of te schelden. De grote vent (het hof begrijpt: aangever) greep de ander bij zijn kraag en probeerde hem te slaan met een vuist. Het was geen harde klap. De kleine man (het hof begrijpt: verdachte) werd toen boos en reageerde daarop: hij probeerde omhoog te springen en een kopstoot te geven. Hij raakte de grote man met zijn hoofd tegen diens neus en daardoor kreeg de grote man een bloedneus.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij en aangever aan elkaar hebben getrokken en dat hij bewegingen heeft gemaakt om los te komen en dat aangever daar letsel aan heeft overgehouden. Hij ontkent dat hij (opzettelijk) een kopstoot heeft gegeven.
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht het hof aannemelijk dat er voor verdachte een noodweersituatie is ontstaan. De gedragingen van aangever, te weten het vastpakken van de kraag van verdachte en het slaan met de vuist, zoals waargenomen door [getuige] , zijn aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Het hof overweegt daarbij dat verdachte, omdat hij bij zijn kraag werd vastgepakt en vastgehouden, niet is staat is geweest weg te lopen.
Het hof volgt [getuige] ook in de verklaring dat verdachte aangever van onderen probeerde een kopstoot te gegeven. De kopstoot is hard aangekomen tegen de mond van aangever. Die kopstoot staat niet in verhouding tot het vastgrijpen van verdachte door aangever.
Het hof zal het beroep van verdachte op noodweer daarom verwerpen omdat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis. Verdachte heeft buiten de grenzen van de noodzakelijke verdediging gehandeld door aangever opzettelijk een kopstoot te geven, welke gedraging in zijn aard – onverhoeds en met kracht in het gezicht – naar het oordeel van het hof niet in redelijke verhouding stond tot het vastgrijpen van verdachte door aangever. Het hof betrekt hierbij de omstandigheid dat verdachte is weggereden nadat hij de auto van aangever had aangereden – en zich daarmee schuldig maakte aan een misdrijf – en aangever verdachte daarop terecht aansprak op zijn gedrag.
Het verweer wordt verworpen.”
2.3
Als door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, moet de rechter een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.
De proportionaliteitseis bij noodweer strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn als zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband geldende – tot een terughoudende beoordeling aanzettende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de manier waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen of een vuist. (Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rechtsoverweging 3.5.3.)
2.4
Het hof heeft geoordeeld dat weliswaar sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte door de aangever, maar heeft het beroep op noodweer verworpen omdat de door de verdachte gegeven “kopstoot niet in redelijke verhouding” stond tot “het vastgrijpen van de verdachte” door de aangever. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat onder 2.3 is vooropgesteld en van wat door de raadsman in hoger beroep is aangevoerd, zoals weergegeven onder 2.2.2. Daarbij is van belang dat het hof heeft vastgesteld dat sprake was van een noodweersituatie omdat de aangever (“de grote man”) de verdachte (“de kleine man”) met een vuist heeft geslagen, terwijl de aangever de verdachte vasthield, waardoor de verdachte niet in staat was weg te lopen.
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 juli 2026.