Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
6 januari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde 16-jarige minderjarige in een gesloten jeugdzorginrichting. De verdachte, werkzaam als groepsleider, pleegde meermalen seksuele handelingen met het meisje, wat strafbaar is gesteld onder het oude artikel 249 lid 1 Sr Pro.
In cassatie stelde de verdediging onder meer voorwaardelijke verzoeken tot het horen van vier getuigen à décharge en het toevoegen van diverse stukken aan het dossier, op grond van het noodzaakcriterium. De Hoge Raad oordeelde dat deze verzoeken niet ontvankelijk waren omdat zij niet voldeden aan het criterium van noodzakelijkheid en dat het hof terecht deze verzoeken had afgewezen.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging beoordeeld maar vond geen aanleiding tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de vragen, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2024 blijft daarmee in stand. Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de verdachte blijft gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 6 januari 2026.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.