ECLI:NL:HR:2026:12

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
24/02488
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 249.1 Sr (oud)Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in ontuchtzaak gesloten jeugdzorginrichting

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde 16-jarige minderjarige in een gesloten jeugdzorginrichting. De verdachte, werkzaam als groepsleider, pleegde meermalen seksuele handelingen met het meisje, wat strafbaar is gesteld onder het oude artikel 249 lid 1 Sr Pro.

In cassatie stelde de verdediging onder meer voorwaardelijke verzoeken tot het horen van vier getuigen à décharge en het toevoegen van diverse stukken aan het dossier, op grond van het noodzaakcriterium. De Hoge Raad oordeelde dat deze verzoeken niet ontvankelijk waren omdat zij niet voldeden aan het criterium van noodzakelijkheid en dat het hof terecht deze verzoeken had afgewezen.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging beoordeeld maar vond geen aanleiding tot vernietiging van het hofarrest. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de vragen, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2024 blijft daarmee in stand. Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van de verdachte blijft gehandhaafd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 6 januari 2026.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02488
Datum6 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 juni 2024, nummer 21-004074-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.