Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van €375.448,05. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had verdachte veroordeeld op grond van artikel 420ter.1 jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr. tegen deze veroordeling stelde verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel van verdachte beoordeeld, waarin onder meer werd geklaagd over de bewijsvoering omtrent de herkomst van de geldbedragen en het opzet van medeplegen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf en niet uit de door verdachte genoemde incassowerkzaamheden.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om het arrest van het hof te vernietigen en wees het cassatieberoep af. Daarbij was het niet nodig om de motivering nader toe te lichten, omdat de klachten niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 14 juli 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van gewoontewitwassen.