Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 juli 2026.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor meermalige hennepteelt in strijd met artikel 3.B van de Opiumwet. In cassatie stelde de verdachte dat op basis van het dossier slechts één oogst kon worden bewezen, waardoor de bewezenverklaarde periode moest worden ingekort. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest van 14 juli 2026 werd gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.